JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1604Laag28/100

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:HR:2026:1604, Hoge Raad, 02-10-2026, 26/01124

Hoge RaadUitspraak: 2 oktober 2026Publicatie: 2 oktober 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:26/01124
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Niet Ontvankelijkheid
Cassatie
Prejudiciele Vragen
Griffierecht
Eu Handvest

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Een belastingplichtige stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Nadat de griffier griffierecht had gevorderd en belanghebbende dit niet betaalde, voerde hij aan dat vooraf heffen van griffierecht in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest en verzocht hij om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Beslissing van de rechter

Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen, onder verwijzing naar zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), en oordeelt dat het niet-betalen van griffierecht voor rekening van belanghebbende komt.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak is procedureel van aard en bevestigt reeds gevestigd recht uit HR 12 juni 2026; er worden geen nieuwe rechtsregels geformuleerd en de feitelijke reikwijdte blijft beperkt tot vergelijkbare griffierechtgeschillen.

Belangrijkste punten

  • 1Griffierecht tijdig aangeboden via aangetekende brief, aantoonbaar afgeleverd volgens Track&Trace PostNL
  • 2Belanghebbende stelde dat vooraf heffen van griffierecht in strijd is met artikel 47 jo. artikel 52 EU-Handvest
  • 3Hoge Raad verwijst naar eerder arrest HR 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) en stelt geen prejudiciële vragen
  • 4Niet-ontvankelijkverklaring volgt dwingend uit artikel 8:41 lid 6 Awb bij niet-voldoen griffierecht
  • 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken

Impactanalyse

Juridische impact

De Hoge Raad bevestigt — in lijn met het arrest van 12 juni 2026 — dat het griffierechtenstelsel van artikel 8:41 Awb niet in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest en dat er geen verplichting bestaat prejudiciële vragen te stellen over een evenredigere heffingswijze achteraf.

Praktische impact

Belastingplichtigen die cassatieberoep instellen en het griffierecht niet betalen, lopen onherroepelijk niet-ontvankelijkheid tegemoet; het argument dat vooraf heffen strijdig is met EU-grondrechten biedt geen uitweg.

Onderwerp-impact

Voor belastingzaken onderstreept deze uitspraak dat de drempel van het griffierechtenstelsel in cassatie standhoudend is en dat EU-rechtelijke bezwaren daartegen door de Hoge Raad stelselmatig worden afgewezen.

Samenvatting

In deze zaak had een belastingplichtige cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 februari 2026. De griffier verzond op 7 mei 2026 een aangetekende brief met het verzoek tot betaling van griffierecht binnen vier weken. Uit Track&Trace-gegevens van PostNL bleek dat de brief op het opgegeven adres was afgeleverd. Desondanks bleef betaling uit. Op 5 juni 2026 werd belanghebbende via het digitale dossier in de gelegenheid gesteld te verklaren waarom het griffierecht niet was voldaan. In zijn reactie van 11 juni 2026 betoogde belanghebbende dat de verplichting om griffierecht vooraf te betalen op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest, gelezen in samenhang met artikel 52. Hij stelde dat een heffing achteraf — uitsluitend bij ongegrond beroep — aanzienlijk evenrediger zou zijn en verzocht de Hoge Raad hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad verwierp dit betoog en verklaarde het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Voor de inhoudelijke motivering verwees de Hoge Raad uitdrukkelijk naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin reeds was geoordeeld dat het Nederlandse griffierechtenstelsel niet in strijd is met het EU-Handvest en dat er geen grond bestaat voor het stellen van prejudiciële vragen. Nu het griffierecht niet was betaald en de aangevoerde gronden geen uitzondering rechtvaardigden, was niet-ontvankelijkheid de dwingende wettelijke consequentie. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak heeft beperkte zelfstandige precedentwerking, maar illustreert dat de Hoge Raad het EU-rechtelijke argument tegen vooraf geheven griffierecht stelselmatig verwerpt.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 2 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1608

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens ontbrekende cassatiegronden

12/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1601

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

18/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1603

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

22/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1483

Hoge Raad: niet-recente machtiging leidt terecht tot niet-ontvankelijkheid

58/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied