Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1602, Hoge Raad, 02-10-2026, 26/01122
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het verschuldigde griffierecht werd niet betaald. Belanghebbende betoogde dat de voorafgaande griffierechtplicht in strijd is met artikel 47 EU-Handvest en verzocht de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU.
Beslissing van de rechter
Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van griffierecht. De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen, nu het betoog van belanghebbende reeds is verworpen in het arrest HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915.
Impactscore
LaagDe uitkomst is procesrechtelijk van aard en bevestigt enkel bestaand beleid op basis van een kort daarvoor gewezen arrest; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de maatschappelijke reikwijdte is beperkt.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht niet voldaan binnen de gestelde termijn na aangetekende kennisgeving via PostNL Track&Trace
- 2Belanghebbende stelt dat voorafgaande griffierechtbetaling op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 jo. artikel 52 EU-Handvest
- 3Alternatief voorstel van belanghebbende: griffierecht alleen achteraf heffen bij ongegrond beroep als evenrediger maatregel
- 4Hoge Raad verwijst naar eerdere arrest HR 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) en ziet geen aanleiding voor prejudiciële verwijzing naar HvJ EU
- 5Niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb; geen proceskostenveroordeling
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt – onder verwijzing naar een kort daarvoor gewezen arrest – dat het bestaande griffierechtregime in belastingzaken verenigbaar is met het EU-Handvest en dat er geen verplichting bestaat tot prejudiciële verwijzing. Dit versterkt de bestendigheid van de huidige Awb-regeling.
Praktische impact
Belastingplichtigen die cassatieberoep instellen moeten tijdig griffierecht betalen; het niet voldoen aan die verplichting leidt onvermijdelijk tot niet-ontvankelijkheid, ook als een EU-rechtelijk verweer wordt gevoerd.
Onderwerp-impact
Voor de belastingpraktijk bevestigt dit arrest dat de drempel van vooraf verschuldigd griffierecht onverkort geldt en dat creatieve EU-rechtelijke argumenten hieromtrent door de Hoge Raad worden afgewezen.
Samenvatting
In deze zaak ging het om een beroep in cassatie dat een belanghebbende instelde tegen een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 februari 2026. De griffier van de Hoge Raad deelde bij aangetekende brief mee dat griffierecht verschuldigd was en stelde daarvoor een betalingstermijn van vier weken. Het griffierecht bleef onbetaald. Nadat de griffier de belanghebbende via het digitale dossier in de gelegenheid stelde te reageren, betoogde de belanghebbende dat de plicht tot voorafgaande betaling van griffierecht op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 in samenhang met artikel 52 van het EU-Handvest van de grondrechten. Als alternatief stelde belanghebbende voor dat griffierecht uitsluitend achteraf zou mogen worden geheven bij een ongegrond beroep, omdat die benadering veel evenrediger zou zijn. De belanghebbende verzocht de Hoge Raad hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad verwierp dit betoog volledig. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van het slechts enkele weken eerder gewezen arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) oordeelde de Hoge Raad dat de aangevoerde gronden geen aanleiding geven prejudiciële vragen te stellen. Het verweer leverde evenmin grond op voor het oordeel dat de belanghebbende niet in verzuim zou zijn geweest. Op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Van een proceskostenveroordeling zag de Hoge Raad af. De uitspraak illustreert dat het huidige griffierechtregime in de Nederlandse belastingrechtspraak stevig verankerd is en dat EU-rechtelijke argumenten gericht op wijziging van de heffingswijze door de Hoge Raad worden afgewezen, in elk geval zolang de eerder gevormde lijn niet wordt bijgesteld.