Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1600, Hoge Raad, 02-10-2026, 26/01120
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het griffierecht werd niet betaald, waarna belanghebbende betoogde dat de voorafgaande heffing van griffierecht op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het EU-Grondrechtenhandvest.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens het niet voldoen van het griffierecht. De doorslaggevende reden is dat de argumenten van belanghebbende geen grond opleveren voor verzuimverschoning, en de Hoge Raad ziet – onder verwijzing naar zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) – geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een toepassing van bestaande rechtspraak (ECLI:NL:HR:2026:915) en bevestigt slechts de geldende lijn zonder nieuwe rechtsregels te stellen; de impact blijft beperkt tot de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht bij de Hoge Raad is een ontvankelijkheidsvoorwaarde; niet-betaling leidt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb.
- 2Belanghebbende betoogde dat voorafgaande heffing van griffierecht in strijd is met artikel 47 juncto artikel 52 van het EU-Grondrechtenhandvest en pleitte voor heffing achteraf bij ongegrond beroep.
- 3De Hoge Raad verwijst naar zijn eerdere arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) en ziet op dezelfde gronden geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU.
- 4De aangetekende brief met betalingstermijn was aantoonbaar afgeleverd via Track & Trace; de stelplicht over niet-ontvangst lag bij belanghebbende.
- 5Geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
Dit arrest bevestigt de vaste lijn van de Hoge Raad dat het Nederlandse griffierechtenstelsel niet in strijd is met het EU-Grondrechtenhandvest en dat er geen aanleiding bestaat voor prejudiciële verwijzing op dit punt, in lijn met ECLI:NL:HR:2026:915. De rechtsregel dat voorafgaand griffierecht een harde ontvankelijkheidsvoorwaarde is, wordt hiermee opnieuw gehandhaafd.
Praktische impact
Belastingplichtigen en andere procespartijen die cassatie instellen bij de Hoge Raad dienen het griffierecht tijdig te voldoen; het niet-betalen leidt onverkort tot niet-ontvankelijkheid, ook als zij Europese grondrechtenargumenten aanvoeren.
Onderwerp-impact
Voor procedures bij de overheid onderstreept deze uitspraak dat toegang tot de rechter via griffierecht een aanvaarde drempel blijft, en dat creatieve Handvest-argumenten om heffing achteraf te bewerkstelligen vooralsnog worden verworpen.
Samenvatting
In deze zaak had een belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 februari 2026. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende per aangetekende brief op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Uit Track & Trace-gegevens bleek dat de brief was afgeleverd, maar het griffierecht werd niet voldaan. Vervolgens werd belanghebbende in de gelegenheid gesteld te verklaren waarom betaling was uitgebleven. In reactie hierop betoogde belanghebbende dat de verplichting om griffierecht vooraf te betalen als ontvankelijkheidsvoorwaarde in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52 van dat Handvest. Belanghebbende stelde dat het Hof van Justitie van de Europese Unie – indien daarover prejudiciële vragen zouden worden gesteld – zou oordelen dat heffing van griffierecht pas achteraf, bij een ongegrond beroep, evenrediger en daarmee EU-rechtelijk aanvaardbaar zou zijn. Tevens werd betoogd dat de Hoge Raad verplicht was dergelijke vragen te stellen. De Hoge Raad verwierp dit betoog. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) oordeelde de Hoge Raad dat er geen aanleiding bestaat voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. De argumenten van belanghebbende leverden evenmin grond op voor het oordeel dat sprake was van verschoonbaar verzuim. Op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb werd het beroep in cassatie dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Een proceskostenveroordeling bleef achterwege. De uitspraak bevestigt de vaste Nederlandse rechtspraktijk dat tijdige betaling van griffierecht een strikte ontvankelijkheidsdrempel vormt, en dat het huidige stelsel verenigbaar wordt geacht met het EU-Grondrechtenhandvest.