JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1599Laag28/100

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:HR:2026:1599, Hoge Raad, 02-10-2026, 26/01119

Hoge RaadUitspraak: 2 oktober 2026Publicatie: 2 oktober 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:26/01119
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Handhaving
Niet Ontvankelijkheid
Cassatie
Prejudiciele Vragen
Griffierecht
Eu Handvest

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Een belastingplichtige stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het verschuldigde griffierecht werd niet betaald. Belanghebbende betoogde dat de verplichting tot voorafgaande betaling van griffierecht in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb, omdat het griffierecht niet tijdig is voldaan. Het argument dat voorafgaande griffierechtheffing in strijd is met het EU-Handvest en de verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen wordt verworpen onder verwijzing naar HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitkomst is procedureel van aard en bevestigt reeds bestaande rechtspraak (HR 12 juni 2026); er worden geen nieuwe rechtsregels gevestigd en de zaak heeft beperkte precedentwerking buiten de specifieke griffierechtenproblematiek.

Belangrijkste punten

  • 1Niet-betaling van griffierecht binnen de gestelde termijn leidt dwingend tot niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb.
  • 2Het betoog dat voorafgaande griffierechtheffing in strijd is met artikel 47 jo. 52 EU-Handvest wordt verworpen.
  • 3De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU over de verenigbaarheid van het griffierechtstelsel met het Unierecht.
  • 4Verwijzing naar HR 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) als precedent voor de afwijzing van het Handvest-argument.
  • 5Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Impactanalyse

Juridische impact

De Hoge Raad bevestigt zijn lijn dat het Nederlandse stelsel van voorafgaande griffierechtheffing verenigbaar is met artikel 47 EU-Handvest en dat geen prejudiciële vragen aan het HvJ EU hoeven te worden gesteld, in lijn met het arrest van 12 juni 2026. Dit versterkt de rechtszekerheid rondom de ontvankelijkheidsdrempel in cassatieprocedures.

Praktische impact

Belastingplichtigen die cassatieberoep instellen moeten het griffierecht tijdig voldoen; het uitblijven hiervan leidt onverbiddelijk tot niet-ontvankelijkheid, ook als EU-rechtelijke bezwaren worden aangevoerd tegen het stelsel zelf.

Onderwerp-impact

Voor overheidsinstanties en belastingplichtige burgers bevestigt deze uitspraak dat het griffierecht als drempel voor toegang tot de cassatierechter standhoudend is en niet via een beroep op het EU-Handvest kan worden omzeild.

Samenvatting

In deze belastingzaak had een belanghebbende cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 februari 2026. De griffier van de Hoge Raad stelde de belanghebbende bij aangetekende brief van 7 mei 2026 in de gelegenheid het verschuldigde griffierecht binnen vier weken te voldoen. De brief werd aantoonbaar afgeleverd, maar het griffierecht bleef onbetaald. Na een nadere gelegenheid om de reden van niet-betaling toe te lichten, voerde belanghebbende aan dat de verplichting tot voorafgaande betaling van griffierecht op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met het recht op effectieve rechterlijke bescherming als gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52. Naar de mening van belanghebbende zou het HvJ EU, indien prejudiciële vragen zouden worden gesteld, oordelen dat heffing achteraf bij een ongegrond beroep een evenrediger alternatief vormt. Belanghebbende verzocht de Hoge Raad dan ook om prejudiciële vragen te stellen. De Hoge Raad verwerpt dit betoog. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) oordeelt de Hoge Raad dat het Nederlandse griffierechtstelsel niet in strijd is met het EU-Handvest en dat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Nu het griffierecht niet tijdig is betaald en geen geldige verontschuldiging is aangedragen, verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat tijdige betaling van griffierecht een harde ontvankelijkheidseis is en dat EU-rechtelijke bezwaren daartegen reeds zijn beslecht in eerdere rechtspraak.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 2 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1608

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens ontbrekende cassatiegronden

12/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1601

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

18/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1603

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

22/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1483

Hoge Raad: niet-recente machtiging leidt terecht tot niet-ontvankelijkheid

58/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied