JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1597Laag28/100

Hoge Raad: cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:HR:2026:1597, Hoge Raad, 02-10-2026, 26/01117

Hoge RaadUitspraak: 2 oktober 2026Publicatie: 2 oktober 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:26/01117
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Niet Ontvankelijkheid
Cassatie
Prejudiciele Vragen
Griffierecht
Eu Handvest

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Een belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het griffierecht werd niet betaald, waarna belanghebbende betoogde dat de verplichting tot voorafgaande betaling van griffierecht in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest van de grondrechten.

Beslissing van de rechter

Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen van het griffierecht. De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, omdat eenzelfde verweer reeds is verworpen in het arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915).

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak is procedureel van aard en bevestigt reeds bestaande rechtspraak; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de Hoge Raad verwijst expliciet naar een recent arrest van dezelfde strekking.

Belangrijkste punten

  • 1Griffierecht niet tijdig betaald na aangetekende herinneringsbrief en gelegenheid tot uitleg
  • 2Belanghebbende betoogde dat voorafgaande griffierechtheffing in strijd is met art. 47 EU-Handvest jo. art. 52 EU-Handvest
  • 3Subsidiair verzocht belanghebbende om prejudiciële verwijzing naar het Hof van Justitie EU
  • 4Hoge Raad verwijst naar eerder arrest (HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915) en ziet geen aanleiding voor prejudiciële vragen
  • 5Niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 8:41 lid 6 Awb; geen proceskostenveroordeling

Impactanalyse

Juridische impact

De Hoge Raad bevestigt zijn lijn dat de voorafgaande griffierechtverplichting van art. 8:41 Awb niet in strijd is met het EU-Handvest, en dat er geen reden bestaat voor prejudiciële verwijzing op dit punt. Dit sluit aan op het arrest van 12 juni 2026 en consolideert de bestaande rechtspraak.

Praktische impact

Belastingplichtigen die cassatieberoep instellen moeten griffierecht tijdig vooraf voldoen; het niet betalen leidt onherroepelijk tot niet-ontvankelijkheid, ook indien EU-rechtelijke bezwaren worden aangevoerd.

Onderwerp-impact

Voor de fiscale procespraktijk bevestigt deze uitspraak dat Europeesrechtelijke argumenten tegen de griffierechtplicht geen soelaas bieden bij nalaten van tijdige betaling.

Samenvatting

In deze zaak stelde een belastingplichtige beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 februari 2026. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op de verplichting griffierecht te betalen en stelde daarvoor een termijn van vier weken. De brief werd aantoonbaar afgeleverd, maar het griffierecht bleef onbetaald. Na een nadere gelegenheid om uitleg te geven, voerde belanghebbende aan dat de verplichting om griffierecht vooraf te betalen — op straffe van niet-ontvankelijkheid — in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52 van dat Handvest. Belanghebbende betoogde dat een stelsel waarbij griffierecht pas achteraf wordt geheven bij een ongegrond beroep veel evenrediger zou zijn. Daarnaast verzocht belanghebbende de Hoge Raad hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. De Hoge Raad volgt dit betoog niet. Onder verwijzing naar zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin hetzelfde Europeesrechtelijke argument reeds uitvoerig is beoordeeld en verworpen, ziet de Hoge Raad geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen. Omdat belanghebbende het griffierecht niet heeft voldaan en geen verschoonbare reden heeft aangedragen, wordt het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb niet-ontvankelijk verklaard. Een proceskostenveroordeling blijft achterwege. Deze uitspraak is procedureel van aard en bevestigt de vaste lijn dat de voorafgaande griffierechtplicht europeesrechtelijk houdbaar is. Voor de praktijk betekent dit dat belastingplichtigen en hun adviseurs er rekening mee moeten houden dat het niet tijdig betalen van griffierecht tot een onherroepelijke niet-ontvankelijkheid leidt, ongeacht de inhoudelijke merites van het cassatieberoep.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 2 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1608

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens ontbrekende cassatiegronden

12/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1601

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

18/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1603

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

22/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1483

Hoge Raad: niet-recente machtiging leidt terecht tot niet-ontvankelijkheid

58/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied