Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1596, Hoge Raad, 02-10-2026, 26/01048
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het verschuldigde griffierecht werd niet betaald. Belanghebbende betoogde dat voorafgaande griffierechtbetaling op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Het betoog van belanghebbende dat het griffierechtstelsel in strijd is met het EU-Handvest en dat prejudiciële vragen moeten worden gesteld aan het Hof van Justitie, wordt verworpen onder verwijzing naar het arrest HR 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915).
Impactscore
LaagHet arrest past een reeds gevestigde lijn toe (verwijzing naar HR 12 juni 2026) en voegt geen nieuwe rechtsnorm toe; de uitkomst is procesrechtelijk van aard en betreft een standaard niet-ontvankelijkheid wegens niet-betaling van griffierecht.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht tijdig aangeboden bij aangetekende brief; bezorging aangetoond via Track&Trace, maar niet betaald.
- 2Belanghebbende betoogde dat het griffierechtstelsel (voorafbetaling op straffe van niet-ontvankelijkheid) in strijd is met artikel 47 jo. 52 EU-Handvest.
- 3De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, onder verwijzing naar eerder arrest HR 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915).
- 4Niet-ontvankelijkverklaring volgt dwingend uit artikel 8:41 lid 6 Awb bij niet-betaling van griffierecht.
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt zijn eerdere lijn uit ECLI:NL:HR:2026:915 dat het Nederlandse griffierechtstelsel niet in strijd is met artikel 47 EU-Handvest en dat er geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie hoeven te worden gesteld over de evenredigheid van voorafgaande griffierechtbetaling. Dit versterkt de rechtszekerheid rondom de toepassing van artikel 8:41 Awb.
Praktische impact
Belastingplichtigen die cassatieberoep instellen moeten tijdig griffierecht betalen; het niet voldoen leidt onherroepelijk tot niet-ontvankelijkheid. Het argument dat achterafbetaling bij ongegrond beroep een evenrediger alternatief is, biedt geen ontheffing van deze verplichting.
Onderwerp-impact
Voor de belastingpraktijk betekent dit arrest dat de EU-grondrechtelijke aanvechting van het griffierechtstelsel ook in cassatie geen succesvol verweer oplevert, en dat procedurele discipline bij het voldoen van griffierecht onverminderd van belang blijft.
Samenvatting
In deze zaak had een belastingplichtige cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (zaaknummers BRE 24/5001 t/m BRE 24/5005). De griffier van de Hoge Raad had belanghebbende bij aangetekende brief van 7 mei 2026 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Uit de Track&Trace-gegevens van PostNL bleek dat de brief op het opgegeven adres was afgeleverd, maar het griffierecht bleef onbetaald. Na een herstelmogelijkheid op 5 juni 2026 reageerde belanghebbende op 11 juni 2026 via het webportaal van de Hoge Raad. Belanghebbende betoogde dat de verplichting om griffierecht vooraf te betalen op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52 van dat Handvest. Volgens belanghebbende zou het Hof van Justitie bij het stellen van prejudiciële vragen oordelen dat griffierecht uitsluitend achteraf mag worden geheven bij een ongegrond beroep, omdat dit een veel evenrediger systeem zou zijn. De Hoge Raad verwierp dit betoog. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) oordeelde de Hoge Raad dat er geen aanleiding bestaat om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Het argument van belanghebbende levert geen grond op voor het oordeel dat sprake was van een verontschuldigbaar verzuim. Op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Dit arrest bevestigt de bestendigde Nederlandse praktijk dat voorafgaande betaling van griffierecht een onverkort geldende processuele voorwaarde is, die niet met een beroep op het EU-Handvest terzijde kan worden geschoven.