Hoge Raad verklaart cassatieberoep WOZ niet-ontvankelijk
ECLI:NL:HR:2026:1563, Hoge Raad, 25-09-2026, 26/00091
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.
Kern van de zaak
Een partij stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de WOZ-waardering en een aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit cassatieberoep.
Beslissing van de rechter
Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a Wet op de rechterlijke organisatie, omdat de klachten duidelijk niet konden slagen. De Hoge Raad heeft daarbij geen aanleiding gezien om een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard artikel 80a Wet RO-afdoening zonder inhoudelijke motivering of nieuwe rechtsnormen; de uitspraak heeft geen precedentwerking en is beperkt tot de individuele zaak over WOZ/OZB 2020.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 80a Wet RO: cassatieberoep klaarblijkelijk kansloos
- 2Geen inhoudelijke beoordeling van de WOZ-waardering of de OZB-aanslag 2020
- 3De procureur-generaal kreeg de gelegenheid advies uit te brengen voorafgaand aan de beslissing
- 4Geen proceskostenveroordeling opgelegd
- 5Uitspraak zonder nadere motivering, conform de wettelijke mogelijkheid bij kennelijk niet-ontvankelijke beroepen
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak heeft geen precedentwerking en bevestigt slechts de bestaande praktijk van de Hoge Raad om kennelijk kansloze cassatieberoepen in belastingzaken zonder inhoudelijke motivering af te doen via artikel 80a Wet RO. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.
Praktische impact
Voor de betrokken belastingplichtige betekent dit dat de WOZ-beschikking en OZB-aanslag 2020 definitief vaststaan. De procedure is zonder succes beëindigd en er zijn geen verdere rechtsmiddelen beschikbaar.
Onderwerp-impact
In het kader van WOZ-procedures en onroerendezaakbelastingen onderstreept deze uitspraak dat de Hoge Raad streng toetst of cassatieberoepen aan de minimumvereisten voldoen en zaken die klaarblijkelijk niet kunnen slagen snel afdoet.
Samenvatting
In deze zaak had een belastingplichtige beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2025:8407) over de WOZ-waardering van een onroerende zaak en de bijbehorende aanslag onroerendezaakbelastingen voor het belastingjaar 2020. De centrale juridische vraag was of de cassatieklachten voldoende grond boden voor inhoudelijke behandeling door de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. Dit artikel biedt de Hoge Raad de mogelijkheid om een cassatieberoep zonder nadere motivering niet-ontvankelijk te verklaren wanneer dit beroep klaarblijkelijk niet kan slagen. De procureur-generaal bij de Hoge Raad was in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan de beslissing een advies uit te brengen, hetgeen een gebruikelijke processtap is bij de toepassing van deze verkorte afdoeningsprocedure. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de aangevoerde klachten duidelijk niet konden slagen en heeft daarom afgezien van een inhoudelijke behandeling. Er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Het arrest is gewezen door vice-president Van Eijsden en de raadsheren Van der Voort Maarschalk en Van Roij. Deze uitspraak heeft geen zelfstandige precedentwerking. Zij illustreert de wijze waarop de Hoge Raad in belastingzaken omgaat met cassatieberoepen die de drempel van artikel 80a Wet RO niet halen. Voor de belastingplichtige heeft de uitspraak wel een definitief karakter: de WOZ-beschikking en de OZB-aanslag over 2020 staan nu onherroepelijk vast en er zijn geen verdere rechtsmiddelen beschikbaar.