JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1540

ECLI:NL:HR:2026:1540, Hoge Raad, 29-09-2026, 24/04222

Hoge RaadUitspraak: 29 september 2026Publicatie: 24 september 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:24/04222

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Belediging van politieambtenaar (art. 266.1 jo. 267.1.2 Sr), straatschenderij (art. 424.1 Sr) en niet voldoen aan identificatieplicht (art. 447e Sr). Ontvankelijkheid hoger beroep, gebrekkige volmacht (art. 450.3 Sv). Kon hof de verdachte n-o verklaren in zijn h.b. op de grond dat volmacht van advocaat aan griffiemedewerker Rb niet voldoet aan eisen van art. 450.3 Sv omdat daarin niet is vermeld dat verdachte instemt met het door griffiemedewerker dadelijk in ontvangst nemen van oproeping voor tz. in h.b. en daarin evenmin adres is opgegeven voor toezending van afschrift van dagvaarding in h.b.? In HR:2009:BJ7810 heeft HR eisen geformuleerd waaraan schriftelijke volmacht van advocaat aan griffiemedewerker om h.b. in te stellen moet voldoen. Zo moet die volmacht inhouden: a. verklaring van advocaat dat hij door verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot instellen van h.b. (art. 450.1.a Sv); b. verklaring van advocaat dat verdachte instemt met het door medewerker op griffie dadelijk in ontvangst nemen van oproeping voor tz. in h.b. (art. 450.3 Sv); en c. adres dat door verdachte is opgegeven voor toezending van afschrift van dagvaarding in h.b. (art. 450.3 Sv). Deze eisen moeten worden bezien tegen achtergrond van aanscherping van wettelijke regeling voor instellen van h.b. Die aanscherping heeft tot doel problemen m.b.t. betekening van dagvaardingen en oproepingen om in h.b. terecht te staan, te voorkomen althans te verminderen. Daarbij is van belang dat mogelijkheid van (met instemming van verdachte) dadelijk in ontvangst nemen van oproeping voor tz. in h.b. door griffiemedewerker in het licht van regeling van art. 432.1.a jo. 6:1:16.1 Sv bijdraagt aan voortvarende tul van rechterlijke uitspraken, nu deze uitreiking geldt als uitreiking in persoon aan verdachte (art. 450.5 Sv). Gelet op deze ratio van eisen waaraan volmacht moet voldoen die door advocaat is verstrekt, is in zaken waarin ttz. in h.b. noch verdachte noch door hem gemachtigde raadsman is verschenen, in de regel het h.b. dat advocaat door middel van schriftelijke volmacht aan griffiemedewerker heeft ingesteld, n-o als die volmacht niet aan al die voorwaarden voldoet. In het licht van diezelfde ratio heeft HR in eerdere rechtspraak geoordeeld dat onvoldoende grond bestaat voor niet-ontvankelijkverklaring van h.b. op de grond dat volmacht niet voldoet aan de onder a genoemde voorwaarde als ttz. in h.b. wel verdachte of gemachtigde raadsman is verschenen en deze daar (zo nodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd) heeft verklaard dat aan verlening van (onvolkomen) volmacht de wens van verdachte ten grondslag lag om (op geldige manier) h.b. te doen instellen, zodat dat verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR:2012:BV6999), en ook niet op de grond dat volmacht niet voldoet aan de onder b en c vermelde voorwaarden als verdachte of gemachtigde raadsman ttz. in h.b. is verschenen, omdat belang dat met die voorwaarden is gediend, in zo’n geval niet is geschaad, zodat verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR:2013:BY8357). Hof heeft geoordeeld dat namens verdachte ingesteld h.b. n-o moet worden verklaard. Daaraan heeft hof ten grondslag gelegd dat schriftelijke volmacht niet voldoet aan de in art. 450.3 Sv gestelde eisen, omdat hierin niet is vermeld dat verdachte instemt met het door griffiemedewerker dadelijk in ontvangst nemen van oproeping voor tz. in h.b. en hierin ook niet adres is vermeld dat door verdachte is opgegeven voor toezending van afschrift van dagvaarding in h.b. Hof heeft daarmee het oog op het niet voldoen aan hiervoor onder b en c bedoelde voorwaarden. Met dit oordeel heeft hof (gelet op wat hiervoor is vooropgesteld) miskend dat verzuim om te voldoen aan genoemde voorwaarden voor gedekt kan worden gehouden doordat verdachte is verschenen op eerste tz. in h.b. Door op die tz. te verschijnen is belang dat met betreffende voorwaarden is gediend, immers niet geschaad. Dat hof op eerste tz. de zaak niet inhoudelijk heeft behandeld maar onderzoek heeft geschorst en op volgende tz. de verdachte en ook niet gemachtigde raadsman zijn verschenen, leidt dan ook niet tot ander oordeel. Volgt vernietiging en terugwijzing.

AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data
Originele uitspraak

Recente uitspraken

Rechtbank Midden-Nederland·29 sep 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:6634

~23geschat
Bekijk
Hoge Raad·29 sep 2026

ECLI:NL:HR:2026:1534

~95geschat
Bekijk
Rechtbank Amsterdam·29 sep 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:9694

~23geschat
Bekijk
Hoge Raad·29 sep 2026

ECLI:NL:HR:2026:1531

~70geschat
Bekijk