ECLI:NL:HR:2026:1536, Hoge Raad, 29-09-2026, 24/01443
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt, art. 11a Opiumwet. Vrijspraak in eerste aanleg na bewijsuitsluiting vanwege onrechtmatige bestuurlijke controle bij tuinbedrijf. Bewijsklacht. Verweer dat ertoe strekt dat bewijsuitsluiting moet plaatsvinden, omdat politie onrechtmatig is binnengetreden doordat misbruik is gemaakt van bestuursrechtelijke bevoegdheden voor strafvorderlijke doeleinden, art. 359a Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft in afwijking van standpunt van verdediging overwogen waarom het o.b.v. dossier van oordeel is dat niet vaststaat dat tijdens of na (eerste) controle (op 14-11-2018) reeds sprake was van redelijk vermoeden van schuld. Volgens hof omvat “p-v” te weinig informatie over deze controle en zijn de in p-v genoemde aangetroffen goederen niet zodanig dat op grond daarvan reeds evident sprake is van overtreding van art. 11a Opiumwet. Deze oordelen worden in cassatie niet betwist en dat geldt ook voor ‘s hofs oordeel dat het voorafgaand aan eerste controle op 9-11-2018 (door politie) noteren van kentekens van voertuigen die bij bedrijfspand te zien waren evenmin als opsporingshandeling kan worden aangemerkt. Verder overweegt hof dat “ook overigens” niet “uit procesdossier” blijkt dat er door politie handelingen zijn verricht die wijzen op verrichten van strafrechtelijk onderzoek op of na 14-11-2018. In dit oordeel ligt in voldoende mate besloten waarom beroep van raadsman op desbetreffende dossierpagina uit het door verbalisant opgemaakte p-v van bevindingen niet opgaat. Enkele omstandigheid dat uit informatie daarin blijkt dat doel van bestuursrechtelijke controle op 14-11-2018 was om aan te tonen dat tuinbedrijf een growshop is waar bewust materialen t.b.v. illegale hennepteelt worden verkocht, maakt ’s hofs oordeel dat niet vaststaat dat tijdens of na controle (op 14-11-2018) reeds sprake was van redelijk vermoeden van schuld aan art. 11a Opiumwet, niet onbegrijpelijk. Informatie maakt immers niet concreet duidelijk op grond waarvan men ertoe wilde overgaan om aan te tonen dat tuinbedrijf zodanige growshop is. Zelfs blijkt uit die informatie niet of reden voor controle is gevonden in f&o die verdenking kunnen gronden dan wel hooguit in weinig concrete aanwijzingen. Daarnaast kan uit woorden dat “is getracht” om aan te tonen dat het om growshop ging, worden afgeleid dat dit aantonen toen niet is gelukt. Hof heeft dit kennelijk zo begrepen, en ook kunnen begrijpen, dat er ook bij of na controle nog onvoldoende was om redelijk vermoeden op te baseren. Volgt verwerping. Samenhang met 24/01441 en 24/01442.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.