Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1524, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/00413
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad, maar betaalde het griffierecht niet. Hij betoogde dat het vooraf betalen van griffierecht op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest en verzocht de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen, nu dit oordeel reeds steunt op het arrest HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, waarin dezelfde argumenten al werden verworpen.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een bevestiging van reeds gevestigde jurisprudentie (HR 12 juni 2026) en bevat geen nieuwe rechtsontwikkeling; de zaak is procedureel van aard en betreft enkel de ontvankelijkheid.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht is tijdig in rekening gebracht per aangetekende brief, aantoonbaar afgeleverd via Track&Trace, maar niet betaald.
- 2Belanghebbende betoogt dat vooraf heffen van griffierecht disproportioneel is ten opzichte van heffing achteraf bij ongegrond beroep, gelet op artikel 47 EU-Handvest.
- 3De Hoge Raad verwijst naar HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, waarin identieke EU-rechtelijke bezwaren tegen de griffierechtplicht al zijn verworpen.
- 4Geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU over de verenigbaarheid van artikel 8:41 Awb met het EU-Handvest.
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
Dit arrest bevestigt de vaste lijn dat de griffierechtplicht ex artikel 8:41 Awb verenigbaar is met artikel 47 EU-Handvest en dat niet-betaling onherroepelijk leidt tot niet-ontvankelijkheid. Het sluit aan bij het precedent van HR 12 juni 2026 en consolideert daarmee de jurisprudentie op dit punt.
Praktische impact
Belastingplichtigen en andere rechtzoekenden worden nogmaals gewaarschuwd dat het nalaten griffierecht te betalen, ook wanneer men EU-rechtelijke bezwaren aanvoert, fatale gevolgen heeft voor de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie.
Onderwerp-impact
Voor belastingprocedures bij de Hoge Raad onderstreept dit arrest dat EU-rechtelijke argumenten over de proportionaliteit van griffierecht geen ontheffing of uitstel van betaling opleveren.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 18 september 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure op het gebied van het belastingrecht. Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 6 januari 2026. De griffier van de Hoge Raad stelde belanghebbende bij aangetekende brief in de gelegenheid het verschuldigde griffierecht te voldoen binnen vier weken. Hoewel de brief aantoonbaar was afgeleverd, bleef betaling uit. Nadat belanghebbende de kans had gekregen om te reageren op het uitblijven van betaling, voerde hij aan dat de verplichting om vooraf griffierecht te betalen als voorwaarde voor ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52. Zijn stelling was dat heffing achteraf – uitsluitend bij een ongegrond beroep – een veel evenrediger alternatief is. Op die grond verzocht hij de Hoge Raad prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad wijst dit verzoek af. Met een expliciete verwijzing naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van het arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) oordeelt de Hoge Raad dat dezelfde EU-rechtelijke bezwaren reeds eerder zijn beoordeeld en verworpen. Er bestaat geen aanleiding opnieuw prejudiciële vragen te stellen. Nu belanghebbende het griffierecht niet heeft voldaan en zijn verweer geen deugdelijke grond biedt voor het oordeel dat hij daartoe niet in verzuim is geweest, verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Een proceskostenveroordeling blijft achterwege. De uitspraak heeft een bevestigend karakter en voegt inhoudelijk weinig toe aan de bestaande jurisprudentie, maar onderstreept dat EU-rechtelijke bezwaren tegen de griffierechtplicht niet kunnen dienen als legitimatie voor niet-betaling.