Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1523, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/00412
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Na aanmaning betaalde de belanghebbende het verschuldigde griffierecht niet, met als argument dat de voorafgaande griffierechtplicht in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest.
Beslissing van de rechter
Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. De Hoge Raad wijst het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU af, onder verwijzing naar zijn eerdere arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin dezelfde argumenten reeds zijn verworpen.
Impactscore
LaagDe uitspraak past volledig binnen een reeds door de Hoge Raad uitgezette lijn (HR 12 juni 2026) en bevat geen nieuwe rechtsontwikkeling; het betreft een procedurebeslissing zonder inhoudelijke toetsing van het onderliggende belastinggeschil.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht tijdig aangemand per aangetekende brief; aflevering bevestigd via Track&Trace, maar betaling bleef uit.
- 2Belanghebbende betoogt dat voorafgaand griffierecht in strijd is met artikel 47 EU-Handvest juncto artikel 52 EU-Handvest en pleit voor heffing achteraf bij ongegrond beroep.
- 3Hoge Raad ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, verwijzend naar HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915.
- 4Niet-ontvankelijkheid volgt dwingend uit artikel 8:41 lid 6 Awb bij niet-betaling van griffierecht na aanmaning.
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Hoge Raad dat de Nederlandse griffierechtplicht vooraf niet in strijd is met artikel 47 EU-Handvest, en dat hierover geen prejudiciële vragen aan het HvJ EU hoeven te worden gesteld. Dit consolideert de eerder in HR 12 juni 2026 uitgezette koers.
Praktische impact
Belastingplichtigen die cassatie instellen moeten het griffierecht tijdig voldoen; het niet-betalen leidt onherroepelijk tot niet-ontvankelijkheid, ook als zij EU-grondrechtelijke bezwaren aanvoeren tegen de heffingssystematiek.
Onderwerp-impact
Voor belastingzaken onderstreept dit arrest dat toegang tot de cassatierechter onlosmakelijk verbonden blijft met tijdige betaling van griffierecht, zonder dat EU-rechtelijke argumenten dit vereiste kunnen doorbreken.
Samenvatting
In deze zaak had een belastingplichtige beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 6 januari 2026. De griffier van de Hoge Raad wees de belanghebbende bij aangetekende brief van 28 mei 2026 op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Hoewel de brief aantoonbaar was afgeleverd op het opgegeven adres, bleef betaling uit. Op 26 juni 2026 werd de belanghebbende in de gelegenheid gesteld te verklaren waarom het griffierecht niet was voldaan. In reactie hierop stelde de belanghebbende dat de verplichting om voorafgaand aan de behandeling griffierecht te betalen — op straffe van niet-ontvankelijkheid — in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52 daarvan. De belanghebbende betoogde dat een evenrediger alternatief zou zijn om griffierecht pas achteraf te heffen indien het beroep ongegrond wordt verklaard, en verzocht de Hoge Raad hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad verwerpt dit betoog. Onder verwijzing naar zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin dezelfde juridische argumenten reeds uitvoerig zijn beoordeeld en verworpen, ziet de Hoge Raad geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Omdat het griffierecht niet is betaald en de aangevoerde gronden geen verschoonbare reden opleveren voor het verzuim, verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Een proceskostenveroordeling blijft achterwege. De uitspraak bevestigt dat de Nederlandse griffierechtplicht vooraf standhoudt onder het EU-Handvest en dat belastingplichtigen geen toegang tot de cassatierechter verkrijgen zonder tijdige betaling, ongeacht EU-grondrechtelijke bezwaren.