JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1522Laag22/100

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:HR:2026:1522, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/00411

Hoge RaadUitspraak: 18 september 2026Publicatie: 18 september 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:26/00411
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Niet Ontvankelijkheid
Cassatie
Prejudiciele Vragen
Griffierecht
Eu Handvest

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Het griffierecht werd niet betaald, waarna de Hoge Raad de mogelijkheid bood om de reden toe te lichten. Belanghebbende voerde aan dat voorafgaande griffierechtbetaling in strijd is met artikel 47 van het EU Handvest.

Beslissing van de rechter

Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb wegens het niet betalen van griffierecht. De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, verwijzend naar zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915).

22van 100

Impactscore

Laag

Het arrest voegt weinig toe aan het bestaande recht, nu de Hoge Raad uitdrukkelijk verwijst naar zijn arrest van 12 juni 2026 als dragende grondslag; het betreft een procedurele niet-ontvankelijkverklaring zonder nieuwe rechtsontwikkeling.

Belangrijkste punten

  • 1Griffierecht niet betaald binnen de gestelde termijn van vier weken na aangetekende brief.
  • 2Belanghebbende betoogde dat voorafgaande griffierechtbetaling in strijd is met artikel 47 jo. artikel 52 van het EU Handvest.
  • 3De Hoge Raad verwijst naar eigen arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) voor afwijzing van prejudiciële verwijzing.
  • 4Geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van artikel 8:41 Awb met het Unierecht.
  • 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Impactanalyse

Juridische impact

De Hoge Raad bevestigt zijn lijn uit het arrest van 12 juni 2026 dat de voorafgaande griffierechtbetaling als ontvankelijkheidseis verenigbaar is met het EU Handvest, en dat verwijzing naar het Hof van Justitie niet nodig is. Dit arrest heeft beperkte zelfstandige precedentwerking naast het reeds gewezen arrest ECLI:NL:HR:2026:915.

Praktische impact

Belastingplichtigen en andere rechtzoekenden die cassatieberoep instellen moeten tijdig griffierecht betalen; een beroep op strijd met EU-grondrechten levert geen rechtvaardiging op voor niet-betaling en leidt tot niet-ontvankelijkheid.

Onderwerp-impact

Voor belastingzaken bevestigt dit arrest dat het griffierechtenstelsel in cassatieprocedures bij de Hoge Raad ongewijzigd van toepassing blijft, ook waar EU-rechtelijke bezwaren worden ingebracht.

Samenvatting

In deze zaak stelde een belastingplichtige (belanghebbende) cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 6 januari 2026. De griffier van de Hoge Raad stuurde per aangetekende brief een oproep tot betaling van griffierecht met een termijn van vier weken. Het griffierecht werd niet voldaan. Vervolgens werd belanghebbende via het digitale dossier in de gelegenheid gesteld te verklaren waarom het griffierecht niet was betaald. Belanghebbende reageerde en voerde aan dat de verplichting tot voorafgaande betaling van griffierecht als ontvankelijkheidseis in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52 daarvan. Volgens belanghebbende zou het Hof van Justitie van de EU oordelen dat griffierecht uitsluitend achteraf mag worden geheven bij een ongegrond beroep, omdat dit een evenrediger alternatief is. Belanghebbende verzocht de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. De Hoge Raad wijst dit verzoek af onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin de Hoge Raad reeds heeft geoordeeld dat de systematiek van artikel 8:41 Awb niet in strijd is met het EU-recht en dat verwijzing naar het Hof van Justitie niet aangewezen is. Nu het griffierecht niet is betaald en geen geldige reden voor het verzuim is aangevoerd, verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Een proceskostenveroordeling blijft achterwege. Het arrest is gewezen door vice-president Van Hilten en de raadsheren Punt en Fierstra.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 18 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1511Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1511, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/00946

Hoge Raad18 sep 2026OverheidDienstverlening
28/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1519Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1519, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/00408

Hoge Raad18 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1485Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1485, Hoge Raad, 18-09-2026, 23/04183

Hoge Raad18 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
18/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1525Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1525, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/00414

Hoge Raad18 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied