JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1521Laag18/100

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:HR:2026:1521, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/00410

Hoge RaadUitspraak: 18 september 2026Publicatie: 18 september 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:26/00410
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Niet Ontvankelijkheid
Cassatie
Prejudiciele Vragen
Griffierecht
Eu Handvest

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Het griffierecht werd niet voldaan binnen de gestelde termijn. Belanghebbende betoogde dat de voorafgaande griffierechtplicht in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest van de grondrechten.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb, omdat het griffierecht niet is betaald. De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, onder verwijzing naar het eerdere arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915).

18van 100

Impactscore

Laag

Het arrest is een routinematige toepassing van vaste procesrechtelijke regels en verwijst voor de principiële vraag naar een eerder arrest; er wordt geen nieuwe rechtsnorm gevestigd.

Belangrijkste punten

  • 1Griffierecht niet voldaan na aangetekende aanmaning en herstelmogelijkheid via digitaal dossier
  • 2Belanghebbende beroept zich op artikel 47 jo. artikel 52 EU-Handvest: voorafgaand griffierecht zou onevenredig zijn
  • 3Alternatief voorstel belanghebbende: griffierecht alleen achteraf heffen bij ongegrond beroep
  • 4Hoge Raad verwijst naar HR 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) voor afwijzing prejudiciële verwijzing
  • 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken

Impactanalyse

Juridische impact

De Hoge Raad bevestigt in lijn met eerdere rechtspraak dat de verplichting tot voorafgaande betaling van griffierecht niet in strijd is met artikel 47 EU-Handvest, en dat prejudiciële vragen hierover niet nodig zijn. Dit arrest heeft beperkte zelfstandige rechtsvormende waarde nu het verwijst naar HR 12 juni 2026.

Praktische impact

Rechtzoekenden in cassatie dienen griffierecht tijdig te voldoen op straffe van niet-ontvankelijkheid; een beroep op EU-grondrechten om deze verplichting te ontlopen heeft geen kans van slagen.

Onderwerp-impact

Voor belastingplichtigen en andere procespartijen in cassatieprocedures geldt onverkort dat onbetaald griffierecht leidt tot definitieve niet-ontvankelijkheid, zonder uitzondering op basis van EU-Handvest-argumenten.

Samenvatting

In deze zaak stelde een belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 6 januari 2026. Na aangetekende aanmaning door de griffier bleef betaling van het verschuldigde griffierecht uit. De belanghebbende kreeg aanvullend de gelegenheid te reageren via het digitale dossier en maakte hiervan gebruik met een brief van 30 juni 2026. Daarin betoogde hij dat de verplichting om griffierecht vooraf te betalen — op straffe van niet-ontvankelijkheid — onverenigbaar is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU (recht op effectieve rechterlijke bescherming), gelezen in samenhang met artikel 52 (beperkingsclausule). Volgens belanghebbende zou een evenrediger systeem inhouden dat griffierecht pas achteraf wordt geheven indien het beroep ongegrond wordt verklaard. Hij verzocht de Hoge Raad om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. De Hoge Raad volgt dit betoog niet. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van het arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) oordeelt de Hoge Raad dat de gestelde EU-rechtelijke bezwaren geen grond opleveren voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest, en dat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen. Het beroep in cassatie wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Het arrest heeft weinig zelfstandige rechtsvormende betekenis: het is een toepassingsbeslissing die de lijn van de eerdere Hoge Raad-uitspraak van juni 2026 bevestigt en illustreert hoe consequent de Hoge Raad de griffierechtplicht handhaaft, ook bij EU-grondrechtelijke verweren.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 18 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1511

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbrekende gronden

28/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1519

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

8/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1485

Hoge Raad verklaart cassatie ongegrond, termijnoverschrijding geconstateerd

18/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1525

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

8/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied