Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1518, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/00407
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Na aanmaning weigerde belanghebbende griffierecht te betalen, met als argument dat vooraf heffen van griffierecht in strijd is met artikel 47 van het EU-Grondrechtenhandvest.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk omdat het verschuldigde griffierecht niet is voldaan. Het argument dat voorafgaande griffierechtheffing in strijd is met het EU-Grondrechtenhandvest wordt verworpen onder verwijzing naar een eerder arrest (HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915), en de Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een bevestiging van reeds vaste rechtspraak (verwijzing naar HR juni 2026) en introduceert geen nieuwe rechtsregels; de betekenis is vooral procedureel van aard.
Belangrijkste punten
- 1Niet-betaling van griffierecht na correcte aanmaning leidt tot niet-ontvankelijkheid op grond van art. 8:41 lid 6 Awb.
- 2Belanghebbende betoogde dat vooraf heffen van griffierecht strijdig is met art. 47 EU-Grondrechtenhandvest jo. art. 52 Handvest; dit argument werd verworpen.
- 3De Hoge Raad verwijst naar HR 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) en acht prejudiciële verwijzing naar het HvJ EU niet nodig.
- 4De aangetekende brief van de griffier was aantoonbaar afgeleverd (Track & Trace PostNL), zodat geen verschoonbaar verzuim kon worden aangenomen.
- 5Geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat het griffierechtregime van art. 8:41 Awb EU-rechtelijk houdbaar is en dat de Hoge Raad geen aanleiding ziet om hierover prejudiciële vragen te stellen, in lijn met het kort daarvoor gewezen arrest van 12 juni 2026.
Praktische impact
Belastingplichtigen die in cassatie gaan moeten het griffierecht tijdig betalen; het niet-betalen op principiële EU-rechtelijke gronden biedt geen soelaas en leidt onvermijdelijk tot niet-ontvankelijkheid.
Onderwerp-impact
Voor de belastingpraktijk onderstreept deze uitspraak dat procedurevereisten zoals griffierecht onverkort gelden en dat creatieve EU-rechtelijke argumenten tegen vooraf heffen inmiddels zijn afgeserveerd door de Hoge Raad.
Samenvatting
In deze zaak had een belastingplichtige beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De griffier van de Hoge Raad verzond op 28 mei 2026 een aangetekende brief met het verzoek griffierecht te voldoen binnen vier weken. Uit Track & Trace-gegevens van PostNL bleek dat de brief op het opgegeven adres was afgeleverd. Betaling bleef desondanks uit. Op 26 juni 2026 bood de griffier belanghebbende via het digitale dossier de mogelijkheid uit te leggen waarom het griffierecht niet was betaald. Belanghebbende reageerde op 30 juni 2026 met het betoog dat de verplichting om voorafgaand aan de behandeling griffierecht te betalen — op straffe van niet-ontvankelijkheid — in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52 van dat Handvest. Volgens belanghebbende zou achteraf heffen bij een ongegrond beroep aanzienlijk evenrediger zijn. Bovendien achtte hij de Hoge Raad verplicht hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. De Hoge Raad verwerpt dit betoog volledig. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van het kort daarvoor gewezen arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) oordeelt de Hoge Raad dat het Nederlandse griffierechtregime verenigbaar is met het Unierechtelijk recht op effectieve rechterlijke bescherming en dat prejudiciële verwijzing niet aan de orde is. Nu geen verschoonbaar verzuim is aangetoond en het griffierecht onbetaald is gebleven, verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Proceskosten worden niet toegewezen. De uitspraak voegt weinig nieuws toe aan het bestaande recht, maar onderstreept dat EU-rechtelijke argumenten tegen het griffierechtstelsel na het arrest van juni 2026 als definitief afgedaan worden beschouwd.