Hoge Raad verklaart cassatieberoep belastingzaak ongegrond
ECLI:NL:HR:2026:1517, Hoge Raad, 18-09-2026, 25/02366
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Zie ook 25/02365, ECLI:NL:HR:2026:1416
Kern van de zaak
Een belanghebbende (aangeduid als [P]) heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. De zaak betreft een belastingkwestie waarbij ook de vraag speelde of prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU gesteld dienden te worden. De precieze inhoud van het geschil is niet volledig kenbaar uit de gepubliceerde tekst.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond, onder verwijzing naar de gronden uit het arrest van dezelfde datum in de samenhangende zaak 25/02365 (ECLI:NL:HR:2026:1416). Op basis van dezelfde gronden ziet de Hoge Raad ook geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU.
Impactscore
LaagDit arrest is procedureel van aard en bevat geen zelfstandige motivering; de juridische inhoud en eventuele richtinggevende werking zijn geheel verdisconteerd in de parallelzaak 25/02365. De tekst is bovendien onvolledig, waardoor de precieze rechtsvraag niet kan worden vastgesteld.
Belangrijkste punten
- 1Het cassatiemiddel faalt op gronden ontleend aan het parallelarrest ECLI:NL:HR:2026:1416 (zaak 25/02365), uitgesproken op dezelfde dag tussen dezelfde partijen.
- 2De Hoge Raad wijst uitdrukkelijk het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU af.
- 3Er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
- 4De zaak is inhoudelijk nauw verbonden met de parallelzaak; de motivering is niet zelfstandig in dit arrest opgenomen.
- 5De uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2025:1097) blijft in stand.
Impactanalyse
Juridische impact
Dit arrest heeft op zichzelf beperkte zelfstandige juridische impact, nu het geheel leunt op de motivering uit de parallelzaak ECLI:NL:HR:2026:1416; de rechtsontwikkeling vindt daar plaats. De afwijzing van prejudiciële vragen bevestigt dat de Hoge Raad de EU-rechtelijke dimensie van de kwestie niet prejudiciabel acht.
Praktische impact
Voor de betrokken belastingplichtige betekent dit dat de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag definitief vaststaat en geen verdere rechtsgang mogelijk is. Er worden geen proceskosten vergoed.
Onderwerp-impact
De uitkomst is relevant voor lopende belastingzaken met een vergelijkbare feitelijke en juridische constellatie, waarbij de uitkomst van de parallelzaak maatgevend is voor de rechtspositie van vergelijkbare belastingplichtigen.
Samenvatting
De Hoge Raad heeft op 18 september 2026 uitspraak gedaan in een belastingzaak tussen een niet nader genoemde belastingplichtige ([P]) en de Belastingdienst. Het betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2025:1097). De precieze inhoud van het belastinggeschil is op basis van de gepubliceerde tekst niet volledig kenbaar, hetgeen een zekere onzekerheid meebrengt bij de analyse. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond. Hij doet dit niet op basis van een zelfstandige motivering in dit arrest, maar verwijst volledig naar de gronden die zijn neergelegd in het arrest van dezelfde datum in de nauw samenhangende parallelzaak met nummer 25/02365 (ECLI:NL:HR:2026:1416), die eveneens tussen dezelfde partijen is gevoerd. Dit is een gebruikelijke werkwijze van de Hoge Raad bij samenhangende zaken: de leidende zaak bevat de volledige motivering, terwijl de overige zaken door middel van een verwijzingsarrest worden afgedaan. Een opvallend aspect is dat de belanghebbende kennelijk had verzocht om het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, hetgeen duidt op een EU-rechtelijke dimensie van de kwestie. De Hoge Raad wijst dit verzoek af, eveneens op grond van de overwegingen in de parallelzaak, en oordeelt dus dat er geen aanleiding bestaat voor een dergelijke verwijzing. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Hoge Raad geen aanleiding, zodat partijen ieder hun eigen kosten dragen. Het arrest is gewezen door vice-president M.E. van Hilten en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra. De juridische en praktische betekenis van dit arrest is beperkt en dient te worden beoordeeld in samenhang met de inhoud van de parallelzaak ECLI:NL:HR:2026:1416.