Hoge Raad: Hof mag Unierecht uitleggen via HR-rechtspraak zonder prejudiciële vragen
ECLI:NL:HR:2026:1492, Hoge Raad, 18-09-2026, 25/02601
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Belasting van personenauto's en motorrijwielen . Formeel recht. Artt. artikel 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; art. 6 EVRM. Vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redeljke termijn; in aanmerking te nemen termijn en bedrag.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) betwistte een naheffingsaanslag BPM en stelde dat het Hof het Unierecht niet mocht toepassen conform Hoge Raad-rechtspraak, omdat de Hoge Raad daarvoor geen prejudiciële vragen had gesteld aan het HvJ EU. Tevens was in geschil de hoogte van vergoedingen wegens overschrijding van de redelijke termijn en wettelijke rente over vergoede griffierechten.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verwerpt middel I: artikel 267, derde alinea, VWEU staat er niet aan in de weg dat een appelrechter (Hof) het Unierecht uitlegt overeenkomstig Hoge Raad-rechtspraak, ook als die rechtspraak tot stand kwam zonder prejudiciële verwijzing. De doorslaggevende reden is dat slechts rechters van de hoogste instantie (zoals de Hoge Raad zelf) verplicht zijn prejudiciële vragen te stellen; lagere rechters zijn dat niet.
Impactscore
HoogDe uitspraak betreft de Hoge Raad en geeft een principieel oordeel over de verwijzingsplicht van artikel 267 VWEU voor appelrechters, met directe gevolgen voor een groot aantal lopende en toekomstige BPM-procedures; het is echter geen fundamenteel nieuw rechtsprincipe maar een bevestiging en uitwerking van bestaande EU-rechtspraak.
Belangrijkste punten
- 1Appelrechters zijn niet verplicht zelf prejudiciële vragen te stellen wanneer zij het Unierecht toepassen conform bestaande Hoge Raad-rechtspraak.
- 2Enkel de cassatierechter (Hoge Raad) valt onder de verplichting van artikel 267, derde alinea, VWEU; het Hof (appèlinstantie) niet.
- 3De stelling dat het Hof het Unierecht uitsluitend mag toepassen conform HvJ EU-rechtspraak en niet via nationale cassatierechtspraak, wordt verworpen.
- 4In de procedure staat vast dat de redelijke termijn voor bezwaar en beroep met circa acht maanden is overschreden, wat aanleiding geeft tot vergoeding van immateriële schade.
- 5De zaak raakt ook vragen over wettelijke rente op terugbetaalde griffierechten en hoogte van proceskostenvergoedingen bij termijnoverschrijding.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad verduidelijkt de reikwijdte van de prejudiciële verwijzingsplicht ex artikel 267 VWEU: alleen de hoogste nationale rechter is gehouden te verwijzen, niet de appelrechter die zich baseert op bestaande cassatierechtspraak. Dit bevestigt en consolideert de hiërarchische werking van nationale prejudiciële rechtspraak binnen het Unierechtelijke stelsel.
Praktische impact
Belastingplichtigen kunnen niet met succes betogen dat een appelrechter gehouden is zelf prejudiciële vragen te stellen enkel omdat de Hoge Raad dat eerder naliet; dit verkleint de mogelijkheden om via deze route BPM-naheffingen aan te vechten.
Onderwerp-impact
In BPM-procedures — een sector met veel procederende importeurs en belastingplichtigen — wordt een veelgebruikte aanvalsstrategie via het Unierecht afgesloten, wat de instroom van soortgelijke procedures bij feitenrechters kan verminderen.
Samenvatting
In deze belastingzaak over een naheffingsaanslag BPM stond centraal de vraag of het Gerechtshof — als appelinstantie — verplicht was zelf prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU), voordat het de grieven van belanghebbende over de uitleg van het Unierecht kon verwerpen met inachtneming van bestaande Hoge Raad-rechtspraak. Belanghebbende betoogde dat de Hoge Raad die rechtspraak had gewezen zonder de in artikel 267, derde alinea, VWEU neergelegde verwijzingsverplichting na te leven, en dat het Hof daarom niet zonder eigen prejudiciële verwijzing op die rechtspraak mocht voortbouwen. De Hoge Raad verwerpt dit betoog. Artikel 267, derde alinea, VWEU legt de verwijzingsverplichting uitsluitend op aan rechters wier beslissingen naar nationaal recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep — in Nederland de Hoge Raad zelf. Het Hof (als appelrechter, met beroep in cassatie openstaan) valt niet onder die verplichting en mag het Unierecht uitleggen en toepassen conform de cassatierechtspraak, ongeacht of de Hoge Raad bij het wijzen van die rechtspraak al dan niet heeft verwezen naar het HvJ EU. Een andere opvatting zou de werking van het nationale rechtsmiddelenstelsel en de rol van de cassatierechter als uiteindelijke nationale uitlegger fundamenteel ondergraven. Naast de Unierechtelijke verwijzingskwestie was in geschil de overschrijding van de redelijke termijn voor bezwaar en beroep — vastgesteld op afgerond acht maanden — die aanleiding geeft tot een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende. Ook de hoogte van de proceskostenvergoeding en de vraag of wettelijke rente verschuldigd is over terugbetaalde griffierechten, kwamen aan de orde. De uitspraak is relevant voor de grote groep belastingplichtigen die in BPM-procedures via het Unierechtelijke verwijzingsargument proberen aanvullende rechtsbescherming te verkrijgen. Die route wordt met dit arrest effectief afgesloten voor de appelinstantie.