JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1488Hoog58/100

Hoge Raad: tariefmaatregel pensioenverrekening Boon/Van Loon niet discriminatoir

ECLI:NL:HR:2026:1488, Hoge Raad, 18-09-2026, 25/02259

Hoge RaadUitspraak: 18 september 2026Publicatie: 17 september 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:25/02259
Belastingrecht
Personen- en familierecht
Verzekering
Financiele Dienstverlening
Gelijkheidsbeginsel
Echtscheiding
Periodieke Uitkering
Pensioenverrekening
Boon Van Loon

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Inkomstenbelasting; art. 6.7, lid 1, letter a, en art. 2.10, lid 2 en lid 3, Wet IB 2001; art. 14 EVRM in samenhang met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM en art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM; art. 26 IVBPR; arrest Boon/Van Loon en Wet VPS; tariefmaatregel voor belastingplichtige onder regime van Boon/Van Loon-arrest die leidt tot een hogere belastingdruk dan bij pensioenverevening volgens de hoofdregel van de wet VPS; schending verdragsrechtelijk gelijkheidsbeginsel?

Kern van de zaak

Een belastingplichtige die betalingen verricht aan een ex-echtgenoot ter verrekening van pensioenrechten onder het Boon/Van Loon-regime (echtscheidingen vóór 1 mei 1995) bestrijdt de fiscale tariefmaatregel op die betalingen. Hij stelt dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van belastingplichtigen wier echtscheiding plaatsvond ná 1 mei 1995, omdat andere verrekenregimes gelden. Het geschil bereikt de Hoge Raad na een voor de belastingplichtige gunstig hofoordeel.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Belastingdienst gegrond, vernietigt de uitspraak van het Hof en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Doorslaggevend is dat de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de vergelijkbaarheid van gevallen, en het onderscheid tussen pre- en post-1 mei 1995-echtscheidingen niet evident van redelijke grond is ontbloot, nu de pensioenverrekeningsregimes wezenlijk van elkaar verschillen.

58van 100

Impactscore

Hoog

Het betreft een Hoge Raad-arrest dat een duidelijke norm stelt over de vergelijkbaarheid van fiscale gevallen bij pensioenverrekening na echtscheiding en aansluit bij recente jurisprudentielijn; de uitkomst is richtinggevend voor een afgebakende maar niet onbeduidende groep belastingplichtigen met pre-1995-echtscheidingen.

Belangrijkste punten

  • 1De betalingen ter verrekening van pensioen onder het Boon/Van Loon-regime kwalificeren als periodieke uitkeringen ex artikel 6.7 lid 1 aanhef en letter a Wet IB 2001.
  • 2Op fiscaal gebied komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe bij de vraag of gevallen als gelijk moeten worden aangemerkt.
  • 3Bij onderscheid dat niet gebaseerd is op aangeboren persoonskenmerken (geslacht, ras, etc.) mag het oordeel van de wetgever slechts worden doorkruist indien het evident van redelijke grond is ontbloot.
  • 4Echtscheidingen vóór en na 1 mei 1995 worden door wezenlijk andere pensioenverrekeningsregimes beheerst, waardoor zij fiscaal-juridisch geen gelijke gevallen vormen.
  • 5De Hoge Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de Rechtbank en herstelt de rechtens juiste belastingheffing over de pensioenverrekeningsbetalingen.

Impactanalyse

Juridische impact

De Hoge Raad bevestigt de vaste lijn dat de wetgever bij fiscale maatregelen grote ruimte heeft om categorieën ongelijk te behandelen zolang het onderscheid niet evident onredelijk is, en dat verschil in civielrechtelijk pensioenverrekeningsregime een voldoende rechtvaardiging oplevert voor fiscaal onderscheid. Dit arrest sluit aan bij HR 15 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1657) en HR 7 februari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:184).

Praktische impact

Belastingplichtigen die op grond van het Boon/Van Loon-arrest pensioenverrekeningsbetalingen doen aan een ex-partner, kunnen de tariefmaatregel niet succesvol aanvechten met een beroep op gelijke behandeling ten opzichte van post-1995-echtscheidingen. Zij blijven onderworpen aan de betreffende fiscale behandeling van die betalingen.

Onderwerp-impact

Voor de praktijk rondom oudere echtscheidingen en pensioenverevening betekent dit arrest dat het onderscheid in fiscale behandeling tussen het Boon/Van Loon-regime en de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding definitief als gerechtvaardigd wordt aangemerkt, zonder ruimte voor discriminatieberoepen.

Samenvatting

In deze zaak stond de vraag centraal of de fiscale tariefmaatregel die van toepassing is op betalingen ter verrekening van pensioenrechten onder het Boon/Van Loon-regime (voor echtscheidingen vóór 1 mei 1995) in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De belastingplichtige betoogde dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van belastingplichtigen wier echtscheiding plaatsvond na 1 mei 1995 en wier pensioenrechten worden verrekend op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Het Hof had dit standpunt gevolgd en geoordeeld dat sprake is van gelijke gevallen die fiscaal ongelijk worden behandeld. De Hoge Raad casseert dit oordeel. De Hoge Raad stelt voorop dat aan de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij de beoordeling of gevallen als gelijk moeten worden aangemerkt. Nu het onderscheid niet is gebaseerd op aangeboren persoonskenmerken zoals geslacht, ras of seksuele oriëntatie, mag het oordeel van de wetgever slechts worden doorkruist indien het evident van redelijke grond is ontbloot. Dat is hier niet het geval. De pensioenafwikkeling bij pre-1995-echtscheidingen geschiedt volgens het Boon/Van Loon-regime, dat wezenlijk andere civielrechtelijke en fiscale regels kent dan het na-1995-stelsel. Juist vanwege dit fundamenteel verschillende verrekeningsregime bevinden de twee categorieën belastingplichtigen zich niet in een gelijke positie voor de toepassing van de tariefmaatregel. De betalingen kwalificeren bovendien als periodieke uitkeringen in de zin van artikel 6.7 lid 1 aanhef en letter a Wet IB 2001. De Hoge Raad vernietigt de hofuitspraak en bevestigt het oordeel van de Rechtbank. Dit arrest consolideert de vaste lijn van de Hoge Raad – zoals ook neergelegd in arresten van november 2024 en februari 2025 – dat fiscale wetgeving die onderscheid maakt op grond van objectief verschillende rechtsstelsels, de toets aan het gelijkheidsbeginsel doorstaat.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 18 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1511Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1511, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/00946

Hoge Raad18 sep 2026OverheidDienstverlening
28/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1519Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1519, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/00408

Hoge Raad18 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1485Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1485, Hoge Raad, 18-09-2026, 23/04183

Hoge Raad18 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
18/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1525Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1525, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/00414

Hoge Raad18 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied