Hoge Raad verklaart WOZ-cassatieberoep niet-ontvankelijk
ECLI:NL:HR:2026:1452, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00276
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een hofuitspraak over de WOZ-waarde en een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor het jaar 2022. De klachten werden door de Hoge Raad beoordeeld met inschakeling van de procureur-generaal.
Beslissing van de rechter
Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a Wet RO, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Impactscore
LaagDe uitspraak bevat geen inhoudelijke rechtsontwikkeling en betreft een standaard procedurele niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a Wet RO in een individuele WOZ-zaak zonder bredere precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Hoge Raad past artikel 80a Wet RO toe: vereenvoudigde niet-ontvankelijkverklaring zonder nadere motivering
- 2Geschil betreft WOZ-waardebepaling en OZB-aanslag voor belastingjaar 2022
- 3Procureur-generaal heeft advies uitgebracht voorafgaand aan de beslissing
- 4Geen proceskostenveroordeling opgelegd aan de eisende partij
- 5Hofuitspraak blijft daarmee onherroepelijk van kracht
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt het gebruik van de art. 80a Wet RO-procedure bij kansloze cassatieklachten in belastingzaken, zonder inhoudelijke rechtsontwikkeling op het gebied van WOZ of OZB. Er wordt geen nieuwe rechtsregel geformuleerd.
Praktische impact
Voor de belastingplichtige betekent dit dat de hofuitspraak over de WOZ-waarde en OZB-aanslag 2022 definitief vaststaat en verdere rechtsmiddelen zijn uitgeput. De aanslag blijft ongewijzigd.
Onderwerp-impact
In vastgoedgerelateerde belastinggeschillen onderstreept deze uitspraak dat cassatie bij WOZ-zaken alleen slaagt bij wezenlijke rechtsvragen; feitelijke waarderingskwesties lenen zich doorgaans niet voor cassatie.
Samenvatting
In deze zaak had een belastingplichtige beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het gerechtshof over de vastgestelde WOZ-waarde en de bijbehorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor het belastingjaar 2022. De Hoge Raad heeft de ingediende cassatieklachten beoordeeld en daarbij, conform de wettelijke procedure, de procureur-generaal in de gelegenheid gesteld een advies uit te brengen. Na bestudering van de klachten en het advies van de procureur-generaal, oordeelde de Hoge Raad dat het cassatieberoep klaarblijkelijk niet tot een gegrondverklaring kon leiden. Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) maakte de Hoge Raad gebruik van de mogelijkheid het beroep niet-ontvankelijk te verklaren zonder verdere inhoudelijke motivering. Dit is een standaardprocedure die de Hoge Raad toepast wanneer cassatieklachten evident kansloos zijn, ter bevordering van de efficiëntie van de cassatierechtspraak. De Hoge Raad zag geen aanleiding om een proceskostenveroordeling op te leggen. Als gevolg van deze beslissing staat de hofuitspraak definitief vast en zijn voor de belastingplichtige geen verdere rechtsmiddelen meer beschikbaar. De WOZ-waarde en de OZB-aanslag voor 2022 worden daarmee onherroepelijk. De uitspraak heeft geen inhoudelijke betekenis voor de rechtsontwikkeling op het terrein van het WOZ-recht of de onroerendezaakbelastingen, en dient uitsluitend als bevestiging van de procedurele toepassing van de 80a-filter in belastingcassaties.