Hoge Raad verwerpt cassatie: verzet terecht niet-ontvankelijk
ECLI:NL:HR:2026:1416, Hoge Raad, 18-09-2026, 25/02365
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Belasting van personenauto's en motorrijwielen; procesrecht; artt. 6:5 en 6:6 Awb; artt. 47 en 52 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; zonder opgaaf van redenen verzoeken om uitstel van de door de rechter geboden termijn om de gronden van het gedane verzet in te dienen; het niet-ontvankelijk verklaren van het verzet wegens het niet tijdig indienen van de gronden van het verzet is niet in strijd met Unierecht.
Kern van de zaak
Belanghebbende deed verzet tegen een niet-ontvankelijkverklaring van zijn hoger beroep door het Hof. Het verzetschrift bevatte onvoldoende gronden om te verduidelijken waarom verzet werd gedaan. De zaak bereikte via cassatie de Hoge Raad.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep volledig. Het oordeel van het Hof dat uit het verzetschrift niet valt af te leiden waarom belanghebbende verzet deed, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en berust op een feitelijk oordeel dat in cassatie niet herbeoordeeld kan worden.
Impactscore
MiddelHoewel de uitspraak van de Hoge Raad afkomstig is en een Europeesrechtelijk argument (art. 47 Handvest) verwerpt, betreft het in essentie een bevestiging van bestaande procedurele regels zonder nieuwe rechtsnorm; de zaak verwijst bovendien naar een op dezelfde dag gewezen richtinggevender arrest.
Belangrijkste punten
- 1Het verzetschrift bevatte onvoldoende gronden om de reden van het verzet kenbaar te maken.
- 2Het Hof verklaarde het verzet niet-ontvankelijk; dit feitelijke oordeel is in cassatie niet toetsbaar.
- 3Het beroep op artikel 47 Handvest (effectieve rechterlijke bescherming) faalt, conform het arrest HR 25/02299 (ECLI:NL:HR:2026:1414).
- 4De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het HvJ EU.
- 5Overige klachten falen zonder nadere motivering op grond van art. 81 RO.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt dat een verzetschrift dat geen inzicht geeft in de gronden van het verzet, terecht niet-ontvankelijk kan worden verklaard zonder dat dit in strijd komt met artikel 47 van het EU-Handvest. Dit sluit aan bij de lijn uitgezet in het op dezelfde dag gewezen arrest ECLI:NL:HR:2026:1414.
Praktische impact
Belastingplichtigen en procespartijen die verzet instellen dienen in het verzetschrift duidelijk te motiveren waaróm zij in verzet komen; een bloot verzetschrift zonder gronden volstaat niet en leidt tot niet-ontvankelijkheid.
Onderwerp-impact
Voor belastingprocedures verduidelijkt deze uitspraak dat de procedurele drempel van een gemotiveerd verzetschrift strikt wordt gehandhaafd, ook wanneer Europeesrechtelijke grondrechtenwaarborgen worden ingeroepen.
Samenvatting
In deze belastingprocedure had het Gerechtshof het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende stelde verzet in, maar het Hof verklaarde ook dit verzet niet-ontvankelijk omdat uit het verzetschrift niet viel af te leiden waarom belanghebbende bezwaar maakte tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn hoger beroep. Bovendien had belanghebbende na een geboden herstelmogelijkheid het verzuim niet tijdig hersteld. Belanghebbende kwam hier in cassatie tegen op met als kernargument dat het verzetschrift minimaal voldoende gronden bevatte en dat het Hof met zijn oordeel artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie schond, omdat het recht op effectieve rechterlijke bescherming ten onrechte werd beperkt zonder dat aan de voorwaarden van artikel 52 van het Handvest was voldaan. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep op alle onderdelen. Ten aanzien van de ontoereikendheid van het verzetschrift oordeelt de Hoge Raad dat het Hof op feitelijke gronden heeft vastgesteld dat de benodigde motivering ontbrak; een dergelijk feitelijk oordeel is in cassatie niet herbeoordeelbaar en geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het beroep op artikel 47 Handvest faalt op de gronden die zijn uiteengezet in het op dezelfde dag uitgesproken arrest in zaak 25/02299 (ECLI:NL:HR:2026:1414), waarnaar de Hoge Raad verwijst. Mede daarom ziet de Hoge Raad geen aanleiding om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De overige klachten worden verworpen met toepassing van artikel 81 RO, zonder nadere motivering. De uitspraak bevestigt dat procespartijen in een verzetschrift deugdelijk dienen te motiveren waarom zij in verzet komen en dat het uitblijven van een dergelijke motivering, ook na een herstelmogelijkheid, leidt tot niet-ontvankelijkheid die stand houdt in cassatie.