Hoge Raad: Nederlandse proceskostenregeling niet in strijd met Unierecht
ECLI:NL:HR:2026:1415, Hoge Raad, 18-09-2026, 25/02827
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Belasting van personenauto's en motorrijwielen. Formeel recht. Artt. 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; art. 6 EVRM. Vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redeljke termijn; in aanmerking te nemen termijn en bedrag. Unierechtelijk verdedigingsbeginsel; geen verplichting tot mondeling horen.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) voerde aan dat de Nederlandse forfaitaire regeling voor proceskostenvergoeding in het bestuursrecht (Awb/Besluit proceskosten bestuursrecht) in strijd is met het Unierecht en dat bij gekwalificeerde schendingen van Unierecht recht bestaat op volledige vergoeding van rechtsbijstandskosten. De zaak betrof bezwaar-, beroeps- en hogerberoepsprocedures waarbij de toegekende kostenvergoedingen als ontoereikend werden beschouwd.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verwerpt de cassatiemiddelen I, II (deels) en III zonder nadere motivering op grond van artikel 81 lid 1 Wet RO. De Hoge Raad ziet, onder verwijzing naar zijn arrest van 17 juli 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1244), geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU over de verenigbaarheid van de Nederlandse proceskostenregeling met het Unierecht.
Impactscore
MiddelHet arrest bevestigt een reeds door de Hoge Raad in juli 2026 ingezette lijn en voegt inhoudelijk weinig nieuws toe; de betekenis ligt vooral in de consolidering van die lijn voor een breder publiek van belastingplichtige procespartijen.
Belangrijkste punten
- 1De Nederlandse forfaitaire proceskostenvergoeding in het bestuursrecht (Awb/Besluit proceskosten bestuursrecht) is niet in strijd met het Unierecht.
- 2Bij gekwalificeerde schendingen van Unierecht bestaat geen rechtstreeks uit het Unierecht volgend recht op volledige vergoeding van rechtsbijstandskosten.
- 3De Hoge Raad verwijst naar zijn eerdere arrest van 17 juli 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1244) als leidend kader en stelt geen prejudiciële vragen aan het HvJ EU.
- 4De Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm mocht door het Hof worden toegepast, nu strijd met het Unierecht niet is aangetoond.
- 5De vergoeding van immateriële schade van € 500 wordt in stand gelaten; het arrest Scordino (EHRM) leidt niet tot een hogere vergoeding.
Impactanalyse
Juridische impact
Dit arrest bevestigt het eerdere arrest van 17 juli 2026 en consolideert de lijn dat de Nederlandse forfaitaire proceskostenregeling in het bestuursrecht verenigbaar is met het Unierecht, zonder dat prejudiciële vragen nodig zijn. Daarmee is de rechtsonzekerheid op dit punt voor de bestuursrechtelijke praktijk verder teruggedrongen.
Praktische impact
Belastingplichtigen en andere rechtzoekenden in bestuursrechtelijke procedures kunnen ook bij Unierechtelijke geschillen geen aanspraak maken op volledige vergoeding van werkelijke rechtsbijstandskosten; de forfaitaire tarieven blijven van kracht.
Onderwerp-impact
Voor overheidsinstanties en belastingdiensten betekent dit arrest dat de bestaande proceskostenpraktijk juridisch houdbaar is en niet hoeft te worden aangepast aan Unierechtelijke verplichtingen tot volledige kostenvergoeding.
Samenvatting
In deze zaak stelde een belastingplichtige (belanghebbende) dat de Nederlandse forfaitaire regeling voor proceskostenvergoeding in het bestuursrecht – neergelegd in de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht – in strijd is met het Unierecht. Kern van het betoog was dat bij gekwalificeerde schendingen van Unierecht een rechtstreeks uit het Unierecht voortvloeiend recht bestaat op volledige vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand, in plaats van de forfaitaire bedragen die de Nederlandse regeling kent. Tevens werd aangevoerd dat de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm niet mocht worden toegepast wegens strijd met het Unierecht. Tot slot bestreed belanghebbende de door Rechtbank en Hof vastgestelde vergoeding van immateriële schade van € 500, mede met een beroep op het EHRM-arrest Scordino. De Hoge Raad verwerpt alle relevante middelen. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding doet de Hoge Raad de zaak af op de voet van artikel 81 lid 1 Wet RO – zonder nadere motivering – en verwijst hij naar de uitvoerige overwegingen in zijn arrest van 17 juli 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1244). In dat arrest heeft de Hoge Raad de Unierechtelijke houdbaarheid van de Nederlandse proceskostenregeling reeds beoordeeld en geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen. Deze lijn wordt in het onderhavige arrest bevestigd en doorgetrokken. Ook het betoog dat de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm buiten toepassing had moeten worden gelaten, faalt om diezelfde reden. De vergoeding van immateriële schade van € 500 blijft eveneens in stand: het Hof heeft terecht geoordeeld dat het Scordino-arrest van het EHRM niet tot een hogere vergoeding noopt, nu de omvang daarvan afhangt van zaakspecifieke omstandigheden die in casu geen hogere toekenning rechtvaardigen. Het arrest heeft praktische betekenis omdat het definitief bevestigt dat procespartijen in bestuursrechtelijke procedures – ook bij Unierechtelijke geschillen – zijn aangewezen op forfaitaire proceskostenvergoedingen.