Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens ontbrekende gronden
ECLI:NL:HR:2026:1274, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/00985
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van Rechtbank Den Haag van 6 maart 2026. Het cassatieberoepschrift bevatte echter geen gronden, zoals vereist op grond van artikel 6:5 lid 1 letter d Awb. Ondanks een herstelmogelijkheid liet belanghebbende na het verzuim te herstellen.
Beslissing van de rechter
Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard. De doorslaggevende reden is dat het beroepschrift de wettelijk vereiste gronden ontbeerde en belanghebbende het geboden herstel van dit verzuim — ondanks een termijn van zes weken — niet heeft benut.
Impactscore
LaagHet betreft een zuiver procedurele niet-ontvankelijkverklaring zonder inhoudelijke beoordeling of nieuwe rechtsontwikkeling. De beslissing heeft geen precedentwerking buiten de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Het cassatieberoepschrift voldeed niet aan artikel 6:5 lid 1 letter d Awb omdat cassatiegronden ontbraken.
- 2De griffier bood belanghebbende via het digitale dossier en e-mailkennisgeving op 9 april 2026 zes weken herstelmogelijkheid (tot 21 mei 2026).
- 3Op grond van artikel 8:36c lid 2 Awb wordt de ontvangst van het digitale bericht geacht te hebben plaatsgevonden op de dag van plaatsing.
- 4Nu het verzuim niet werd hersteld, verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:6 Awb.
- 5Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de ontvankelijkheidsvereisten in cassatie en de werking van digitale berichtgeving via het webportaal als rechtsgeldige kennisgeving. Dit is een routinematige procedurele beslissing zonder nieuwe rechtsregels.
Praktische impact
Belanghebbende verliest de mogelijkheid de uitspraak van Rechtbank Den Haag in cassatie aan te vechten. Partijen die digitaal procederen worden gewaarschuwd hun digitale dossier actief te monitoren en herstelberichten tijdig op te volgen.
Onderwerp-impact
Voor vreemdelingenrechtelijke procedures (de zaaknummers bevatten de aanduiding 'V') betekent dit dat de onderliggende beslissing van Rechtbank Den Haag onherroepelijk wordt, zonder inhoudelijke toetsing door de Hoge Raad.
Samenvatting
In deze zaak stelde een belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van Rechtbank Den Haag van 6 maart 2026 (zaaknummers SGR 25/5692 V en SGR 25/6661 V). Het cassatieberoepschrift werd ingediend via het webportaal van de Hoge Raad, maar bevatte — in strijd met het bepaalde in artikel 6:5 lid 1 letter d Awb — geen gronden. Dit vormverzuim is fataal voor de ontvankelijkheid, tenzij de indiener de gelegenheid krijgt het te herstellen. De griffier bood belanghebbende op 9 april 2026 via het digitale dossier de mogelijkheid het verzuim binnen zes weken te herstellen. Op diezelfde datum werd een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbende opgegeven e-mailadres. De Hoge Raad stelt vast dat, gelet op artikel 8:36c lid 2 Awb, het bericht geacht wordt op 9 april 2026 ontvangen te zijn, zodat de hersteltermijn liep tot en met 21 mei 2026. Belanghebbende heeft binnen die termijn geen gronden ingediend en het verzuim aldus niet hersteld. De Hoge Raad past daarop artikel 6:6 Awb toe en verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling. De juridische vraag in deze zaak was uitsluitend procedureel van aard: voldeed het cassatieberoepschrift aan de wettelijke vereisten, en zo niet, werd het verzuim tijdig hersteld? Het antwoord op beide vragen is ontkennend. De uitkomst is daarmee helder: de uitspraak van Rechtbank Den Haag wordt onherroepelijk zonder dat de Hoge Raad zich over de inhoud heeft uitgelaten. De beslissing illustreert het belang van actieve monitoring van het digitale procesdossier bij digitaal procederen.