Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens te laat ingediende gronden
ECLI:NL:HR:2026:1273, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/00900
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 30 januari 2026 in een vreemdelingenzaak. Het beroepschrift bevatte echter geen gronden, zoals wettelijk vereist. De griffier stelde belanghebbende in de gelegenheid dit verzuim te herstellen binnen zes weken.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:6 Awb. Het herstelschrift werd pas op 6 mei 2026 ontvangen, twee dagen na het verstrijken van de hersteltermijn op 4 mei 2026, en wordt daarom buiten beschouwing gelaten.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele niet-ontvankelijkverklaring op basis van vaste rechtspraak en een duidelijke wettelijke bepaling; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de uitspraak heeft nauwelijks precedentwerking buiten de concrete zaak.
Belangrijkste punten
- 1Beroepschrift in cassatie bevatte geen gronden, in strijd met artikel 6:5 lid 1 sub d Awb
- 2Griffier verleende herstelgelegenheid per aangetekende brief, afgeleverd conform Track&Trace
- 3Hersteltermijn eindigde op 4 mei 2026; herstelschrift ontving de Hoge Raad op 6 mei 2026
- 4Te laat ingediend geschrift wordt buiten beschouwing gelaten; niet-ontvankelijkverklaring volgt op grond van artikel 6:6 Awb
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de hersteltermijn ex artikel 6:6 Awb: een te laat ingediend herstelschrift leidt onverbiddelijk tot niet-ontvankelijkheid, ook als de overschrijding slechts twee dagen bedraagt. Dit is vaste cassatiepraktijk zonder bijzondere rechtsontwikkeling.
Praktische impact
Procespartijen worden gewaarschuwd dat termijnen voor verzuimherstel in cassatie hard zijn; ook een minimale overschrijding van twee dagen sluit toegang tot de cassatierechter volledig uit. Tijdige indiening van gronden bij aanvang van het beroep voorkomt dit risico.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken biedt een niet-ontvankelijk cassatieberoep geen inhoudelijke toetsing van de rechtbankuitspraak, waardoor de beslissing van de Rechtbank Den Haag onherroepelijk wordt zonder beoordeling van de materiële cassatieklachten.
Samenvatting
In deze zaak stelde een belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 30 januari 2026 (nr. SGR 25/4495 V), vermoedelijk in een vreemdelingrechtelijke procedure. Het beroepschrift voldeed niet aan de wettelijke vereisten, omdat het geen gronden bevatte zoals artikel 6:5 lid 1 sub d Awb voorschrijft. De griffier van de Hoge Raad stelde belanghebbende per aangetekende brief van 23 maart 2026 in de gelegenheid dit verzuim te herstellen, met een termijn van zes weken die eindigde op 4 mei 2026. Uit de Track&Trace-gegevens van PostNL bleek dat de brief op het door belanghebbende opgegeven adres was afgeleverd. Op 6 mei 2026 — twee dagen na afloop van de hersteltermijn — ontving de Hoge Raad een brief van belanghebbende. De Hoge Raad liet dit te laat ingediende stuk buiten beschouwing en verklaarde het beroep in cassatie niet-ontvankelijk met toepassing van artikel 6:6 Awb. De centrale juridische vraag was of het te laat ingediende herstelschrift nog kon worden meegewogen. De Hoge Raad beantwoordde die vraag ontkennend: de wettelijke hersteltermijn is een harde vervaltermijn, en een indiening die ook maar één dag te laat is, kan niet worden geaccepteerd. Er is geen aanleiding gevonden voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak illustreert het belang van stipte naleving van procesrechtelijke termijnen in cassatie. Een beroepschrift zonder gronden is een herstelbaar verzuim, maar het verzuim moet binnen de daarvoor gestelde termijn worden hersteld. Wie die termijn — hoe beperkt ook — overschrijdt, verliest zijn recht op inhoudelijke behandeling. De uitspraak van de Rechtbank Den Haag is daarmee onherroepelijk geworden.