Hoge Raad bevestigt rechtsmacht bij Rabobank kartelvordering
ECLI:NL:HR:2026:1196, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/03443, 24/03448, 24/03449, 24/03452
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Internationaal privaatrecht, bevoegdheid. Art. 8 sub 1 Verordening Brussel I-bis, art. 6 sub 1 EVEX II, art. 7 lid 1 Rv (forum connexitatis); eenzelfde situatie feitelijk en rechtens, voorzienbaarheid van bevoegdheid. Collectieve actie, verklaring voor recht m.b.t. manipulatie van JPY LIBOR rentebenchmark. Ontvankelijkheidseisen art. 3:305a (oud) BW; bundelbaarheid van belangen, toepasselijk recht; meerwaarde van collectieve actie boven individuele geschillenbeslechting. Samenhang met zaak 24/03432.
Kern van de zaak
Een Stichting vordert namens benadeelden schadevergoeding en een verklaring voor recht tegen Rabobank c.s. wegens overtreding van het Unierechtelijk kartelverbod (artikel 101 VWEU). De zaak betreft de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis voor de gezamenlijke behandeling van de vorderingen.
Beslissing van de rechter
Het hof oordeelt dat de vorderingen A(3) en D dezelfde situatie rechtens betreffen in de zin van artikel 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis, zodat gezamenlijke behandeling mogelijk is. Doorslaggevend is dat de aan de vorderingen ten grondslag liggende overtreding van artikel 101 VWEU voor alle geïntimeerden aan dezelfde rechtsvraag onderworpen is, en dat ook naar mogelijk toepasselijk niet-EU-recht de kartelinbreuk onrechtmatig wordt geacht.
Impactscore
HoogDe uitspraak is afkomstig van de Hoge Raad en betreft een principiële kwestie over internationale rechtsmacht bij kartelschadeclaims; hoewel de tekst slechts een fragment toont en de inhoudelijke beoordeling van de kartelinbreuk nog openstaat, heeft de rechtsmachtbeslissing structurerende betekenis voor (toekomstige) collectieve kartelschadezaken in Nederland.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis vereist dat vorderingen 'dezelfde situatie rechtens' betreffen voor ankerbevoegdheid bij meerdere gedaagden.
- 2Een vastgestelde overtreding van artikel 101 VWEU levert een Unierechtelijk recht op schadevergoeding op, beheerst door nationaal recht met inachtneming van gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel (HvJ EU Kone, C-557/12).
- 3Gezamenlijke behandeling voorkomt tegenstrijdige beslissingen bij verschillende rechters over hetzelfde onrechtmatig handelen van Rabobank c.s.
- 4Ook voor benadeelden uit landen buiten de EU acht het hof voorshands aannemelijk dat de kartelinbreuk naar het mogelijk toepasselijk ander recht onrechtmatig is.
- 5De uitspraak betreft een procedurestap (rechtsmachtbeoordeling), niet de inhoudelijke beoordeling van de kartelovertreding zelf.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis bij grensoverschrijdende kartelschadeclaims door een Stichting, en bevestigt dat de ankerbevoegdheidsregel ook geldt wanneer deels niet-EU-recht mogelijk van toepassing is. Dit versterkt de positie van collectieve vorderingsstructuren in internationaal kartelschadevergoedingsrecht.
Praktische impact
Benadeelden van kartelgedrag door Rabobank c.s. kunnen hun vorderingen gezamenlijk bij één rechter aanbrengen, wat de efficiëntie verhoogt en het risico op tegenstrijdige uitspraken vermindert. Voor Rabobank c.s. betekent dit dat zij zich in één procedure moeten verweren tegen zowel EU-rechtelijke als mogelijk andersluidende nationale rechtsvorderingen.
Onderwerp-impact
Voor de financiële dienstverlening onderstreept deze uitspraak dat internationale banken bij kartelinbreuken blootstaan aan geconcentreerde collectieve schadeclaims in één jurisdictie, wat de handhaving van het mededingingsrecht versterkt.
Samenvatting
Deze Hoge Raad-uitspraak van 17 juli 2026 betreft een procedure waarbij een Stichting namens een groep benadeelden schadevergoeding en een verklaring voor recht vordert tegen Rabobank c.s. wegens vermeende overtreding van het Europese kartelverbod van artikel 101 VWEU. De centrale rechtsvraag in dit stadium is of de Nederlandse rechter internationale rechtsmacht heeft op grond van artikel 8 lid 1 van de Verordening Brussel I-bis om alle vorderingen gezamenlijk te behandelen, ook wanneer de gedaagden in verschillende lidstaten of derde landen zijn gevestigd. Het hof oordeelt dat de vorderingen A(3) (schadevergoeding) en D (verklaring voor recht wegens kartelovertreding) dezelfde situatie rechtens betreffen, zoals vereist voor toepassing van de ankerbevoegdheidsregel van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis. Hieraan liggen twee overwegingen ten grondslag. Ten eerste dient de gestelde overtreding van artikel 101 VWEU voor alle geïntimeerden aan dezelfde Unierechtelijke norm te worden getoetst; bij vaststelling van die overtreding ontstaat een Unierechtelijk recht op schadevergoeding dat verder door nationaal recht wordt ingevuld, met inachtneming van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, zoals bevestigd in het arrest Kone (HvJ EU, C-557/12). Ten tweede acht het hof het, voor zover benadeelden uit niet-EU-landen afkomstig zijn en mogelijk ander recht van toepassing is, voorshands voldoende aannemelijk dat de kartelinbreuk ook naar dat andere recht als onrechtmatig kwalificeert. Door gezamenlijke behandeling toe te staan, voorkomt het hof dat verschillende rechters over hetzelfde feitencomplex tegenstrijdige uitspraken doen. De uitspraak heeft daarmee niet alleen praktische betekenis voor de onderhavige zaak, maar versterkt ook de positie van collectieve vorderingsstructuren in internationale kartelschadezaken. Opgemerkt zij dat het beschikbare fragment van de uitspraak onvolledig is; de inhoudelijke beoordeling van de kartelovertreding zelf is in dit stadium nog niet aan de orde.