Geen hoofdverblijf aangetoond: OZB-aanslag blijft in stand
ECLI:NL:GHSHE:2026:2269, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19-08-2026, 24/1913
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)De heffingsambtenaar heeft een aanslag forensenbelasting 2021 opgelegd voor het beschikbaar houden van een gemeubileerde woning voor meer dan 90 dagen van het belastingjaar. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar hoofdverblijf in de woning heeft. Hoger beroep ongegrond.
Kern van de zaak
Belanghebbende betwist een belastingaanslag (vermoedelijk OZB of soortgelijke gemeentelijke heffing) en stelt dat een woning in plaats 1 haar hoofdverblijf is. De heffingsambtenaar betwist dit omdat zij regelmatig bij haar echtgenoot in plaats 2 verblijft en de woning deels verhuurt via toeristenbelasting.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond: belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de woning in plaats 1 haar hoofdverblijf is. Doorslaggevend is het onvoldoende inzichtelijk maken van de tijdsverdeling tussen beide verblijfplaatsen, het regelmatige verblijf bij de echtgenoot elders wegens werkverplichtingen, de deelverhuur van de woning én de eigen zienswijze van belanghebbende waarin zij verzocht de woning als recreatiewoning aan te merken.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijke beoordeling in een individuele belastingzaak over het begrip 'hoofdverblijf', zonder nieuwe rechtsvragen. De uitkomst is in lijn met bestaande jurisprudentie en heeft beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare feitencomplexen.
Belangrijkste punten
- 1Belanghebbende draagt de bewijslast dat de woning haar hoofdverblijf is, en is daarin niet geslaagd.
- 2Het regelmatige verblijf bij de echtgenoot in plaats 2, mede wegens werkverplichtingen, weegt zwaar mee bij de beoordeling van het middelpunt van het leven.
- 3Uit de ingediende aangifte toeristenbelasting blijkt dat de woning een deel van het jaar niet door belanghebbende zelf kon worden bewoond vanwege verhuur.
- 4Belanghebbende heeft in een zienswijze op een ontwerpbestemmingsplan zelf verzocht de woning als recreatiewoning aan te merken, wat haar eigen stelling over hoofdverblijf ondermijnt.
- 5Gebrek aan concrete informatie over tijdsverdeling tussen de twee verblijfplaatsen is fataal voor het bewijs van hoofdverblijf.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat het begrip 'hoofdverblijf' bij lokale heffingen strikt wordt uitgelegd en dat de belastingplichtige concreet moet kunnen aantonen waar het zwaartepunt van zijn leven ligt, met inbegrip van tijdsbesteding en sociale binding. Eigen verklaringen en gedragingen (zoals zienswijzen op bestemmingsplannen) kunnen tegen de belastingplichtige worden gebruikt.
Praktische impact
Eigenaren van woningen die zij deels verhuren en deels zelf bewonen, lopen het risico dat de woning niet als hoofdverblijf wordt erkend, met hogere belastingaanslagen als gevolg. Het is raadzaam een nauwkeurige administratie bij te houden van verblijfsdagen per locatie.
Onderwerp-impact
Voor eigenaren van vakantie- of recreatiewoningen die stellen elders hun hoofdverblijf te hebben, of juist de recreatiewoning als hoofdverblijf willen aanmerken, benadrukt deze uitspraak het belang van consistente en gedocumenteerde standpunten richting overheidsinstanties.
Samenvatting
In deze belastingzaak voor het Gerechtshof 's-Hertogenbosch stond de vraag centraal of een woning in plaats 1 kan worden aangemerkt als het hoofdverblijf van belanghebbende. De heffingsambtenaar had dit betwist en een aanslag opgelegd op basis van de veronderstelling dat de woning niet als hoofdverblijf kwalificeerde. Belanghebbende verweerde zich door te wijzen op haar regelmatige verblijf in de woning en haar sociale betrokkenheid bij het plaatselijke verenigingsleven in plaats 1. Het hof oordeelt dat belanghebbende er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de woning haar hoofdverblijf vormt. Het hof weegt daarbij meerdere factoren. Ten eerste verblijft belanghebbende regelmatig bij haar echtgenoot in plaats 2, mede vanwege werkverplichtingen, wat zij zelf niet heeft betwist. Ten tweede heeft zij uit eigen aangifte toeristenbelasting erkend dat de woning een deel van het jaar werd verhuurd, waardoor zij er zelf niet kon verblijven. Ten derde kon het hof op basis van de beschikbare informatie niet vaststellen hoe de tijdsverdeling tussen beide locaties er concreet uitzag, wat voor rekening en risico van belanghebbende komt. Bijzonder relevant acht het hof verder dat belanghebbende zelf in een zienswijze op een ontwerpbestemmingsplan had verzocht de woning als recreatiewoning aan te merken. Deze eigen kwalificatie staat haaks op de stelling dat de woning haar hoofdverblijf is en ondermijnt haar positie in de belastingprocedure. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. De uitspraak illustreert dat bij de bepaling van het hoofdverblijf een totaalplaatje van feiten en omstandigheden doorslaggevend is, en dat de bewijslast volledig bij de belastingplichtige ligt. Inconsistente standpunten in andere procedures kunnen in fiscale procedures worden tegengeworpen.