Beroep op vertrouwensbeginsel bij partneralimentatieaftrek afgewezen
ECLI:NL:GHSHE:2026:2079, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29-07-2026, 25/897
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Inkomstenbelasting. Geen zelfstandig recht op toezending van stukken in de bezwaarfase. Het staat inspecteur in beginsel vrij om in (hoger) beroep nieuwe verweren aan te voeren. Geen vooruitbetaling, afkoop of verrekening van partneralimentatie. Verrekening van een hoofdvordering onder opschortende voorwaarde slechts mogelijk na vervulling van de voorwaarde.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) claimt aftrek voor partneralimentatie over 2019 en stelt dat deze via verrekening is voldaan. De inspecteur weigert de aftrek. Belanghebbende beroept zich op het vertrouwensbeginsel omdat de inspecteur in bezwaar aanvankelijk alleen de vordering op de ex-partner betwistte en in beroep aanvullende gronden aanvoerde.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel af. Doorslaggevend is dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inspecteur uitlatingen of gedragingen heeft verricht waaruit redelijkerwijs mocht worden afgeleid dat de rechtsstrijd beperkt zou blijven tot de vraag of de vordering op de ex-partner bestond.
Impactscore
LaagDe uitspraak past vaste jurisprudentie toe over het vertrouwensbeginsel zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de feitelijke en juridische context is bovendien casuïstisch van aard en betreft een individueel belastinggeschil.
Belangrijkste punten
- 1Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet de belastingplichtige aannemelijk maken dat de overheid toezeggingen of uitlatingen heeft gedaan waaruit hij redelijkerwijs mocht afleiden hoe de inspecteur zijn bevoegdheden zou uitoefenen.
- 2Het feit dat partijen in de bezwaarfase voornamelijk spraken over de vordering op de ex-partner, levert geen gerechtvaardigd vertrouwen op dat de inspecteur de rechtsstrijd daartoe zou beperken.
- 3De vraag naar het bestaan van de vordering op de ex-partner was een logische eerste stap in de beoordeling van de verrekeningsvraag; aanvullende gronden in beroep zijn daarmee niet onverwacht.
- 4De inspecteur voerde in beroep en hoger beroep aanvullende gronden aan voor de weigering van de alimentatieaftrek; dit is toegestaan nu geen sprake is van gewekt vertrouwen.
- 5De uitspraak is vatbaar voor cassatie bij de Hoge Raad.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van het vertrouwensbeginsel in het belastingrecht: het enkele feit dat een inspecteur zich in bezwaar op één deelaspect concentreert, beperkt zijn processuele vrijheid in beroep niet. Dit is in lijn met vaste jurisprudentie.
Praktische impact
Belastingplichtigen kunnen er niet op vertrouwen dat een inspecteur zijn argumenten in beroep beperkt tot hetgeen in bezwaar is besproken; zij dienen zich voor te bereiden op alle mogelijke gronden die de inspecteur kan aanvoeren.
Onderwerp-impact
Voor geschillen over de aftrekbaarheid van partneralimentatie en verrekeningsvraagstukken benadrukt deze uitspraak dat de bewijslast voor zowel het bestaan van een vordering als de verrekening volledig op de belastingplichtige rust.
Samenvatting
In deze hoger beroepsprocedure voor het Gerechtshof 's-Hertogenbosch staat de aftrekbaarheid van partneralimentatie over belastingjaar 2019 centraal. Belanghebbende stelt dat hij alimentatie heeft betaald aan zijn ex-partner door middel van verrekening met een vordering die hij op haar had. De inspecteur weigerde de aftrek en betwistte zowel het bestaan van die vordering als de gestelde verrekening. In bezwaar concentreerde de discussie zich voornamelijk op de vraag of de vordering van belanghebbende op de ex-partner überhaupt bestond. In beroep en hoger beroep voerde de inspecteur aanvullende gronden aan, waarop belanghebbende zich beriep op het vertrouwensbeginsel. Hij stelde dat hij erop mocht vertrouwen dat de rechtsstrijd beperkt zou blijven tot de vorderingskwestie. Het hof verwerpt dit beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens vaste rechtspraak vereist een geslaagd beroep op dit beginsel dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen, uitlatingen of gedragingen zijn gedaan waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht afleiden hoe de inspecteur zijn bevoegdheden zou uitoefenen. Aan die maatstaf is niet voldaan. Dat de inspecteur in de bezwaarfase de nadruk legde op de vordering, was een logische en voor de hand liggende eerste stap: zonder vordering is verrekening immers niet mogelijk. Uit deze aanpak mocht belanghebbende niet afleiden dat de inspecteur zich in latere instanties tot dat ene punt zou beperken. Nu niet is gebleken van enige concrete toezegging of gedraging die vertrouwen kon wekken, slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet. De uitspraak is vatbaar voor cassatie bij de Hoge Raad. De beslissing is op 29 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.