Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken geldige machtiging
ECLI:NL:GHSHE:2026:2074, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29-07-2026, 24/1142
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde 2022. De gesteld gemachtigde van belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. Het hof verzocht de gesteld gemachtigde tweemaal om een recente, op naam gestelde machtiging en wees daarbij op mogelijke niet-ontvankelijkheid bij niet-tijdige aanlevering. De machtiging werd uiteindelijk overlegd, maar buiten de gestelde termijnen. Het hof ziet in de door de gesteld gemachtigde aangevoerde redenen geen grond om de te late overlegging verschoonbaar te achten. Hoger beroep niet-ontvankelijk.
Kern van de zaak
Een partij stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch via een niet-advocaat gemachtigde. Het hof verzocht om een recente schriftelijke machtiging op grond van artikel 8:24 lid 2 Awb. De indiener legde uiteindelijk een substitutiemachtiging over, maar dit bleek onvoldoende om ontvankelijkheid te bewerkstelligen.
Beslissing van de rechter
Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, omdat niet tijdig een geldige (recente) machtiging is overgelegd binnen de door de rechter gestelde termijn. Doorslaggevend is de bevoegdheid van de bestuursrechter op grond van artikel 8:24 lid 2 Awb, bevestigd door het Hoge Raad-arrest van 17 april 2026, om bij gebreke van tijdig herstel het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
Impactscore
LaagDe uitspraak past een reeds door de Hoge Raad gevestigd kader toe op een individueel geval en heeft beperkte zelfstandige rechtsontwikkelende waarde; de juridische norm is al bepaald door HR 17 april 2026.
Belangrijkste punten
- 1Op grond van art. 8:24 lid 2 Awb kan de bestuursrechter van een niet-advocaat gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
- 2De bestuursrechter hoeft niet te motiveren waarom hij om een recente machtiging vraagt en hoeft geen aanwijzingen te hebben dat de eerdere volmacht is geëindigd.
- 3HR 17 april 2026 bevestigt de bevoegdheid van de bestuursrechter om een recente machtiging te eisen, ongeacht het bestaan van een oudere machtiging.
- 4Niet-ontvankelijkverklaring is toegestaan indien de indiener een redelijke hersteltermijn heeft gekregen maar het verzuim niet (verschoonbaar) heeft hersteld.
- 5De overlegde substitutiemachtiging van 13 januari 2025 volstond niet om het verzuim te herstellen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past het door de Hoge Raad op 17 april 2026 gevestigde kader toe inzake de bevoegdheid van bestuursrechters om recente machtigingen te verlangen en het beroep bij niet-naleving niet-ontvankelijk te verklaren, wat de toepassing van dit kader door lagere rechters verduidelijkt.
Praktische impact
Partijen die in bestuursrechtelijke procedures worden vertegenwoordigd door een niet-advocaat gemachtigde, dienen er rekening mee te houden dat de rechter op elk moment een actuele machtiging kan opvragen en dat het niet tijdig overleggen daarvan fatale gevolgen heeft voor de ontvankelijkheid.
Onderwerp-impact
Voor overheidsorganen en burgers in bestuursrechtelijke geschillen benadrukt deze uitspraak het belang van zorgvuldige procesvertegenwoordiging en het bijhouden van actuele volmachtdocumentatie bij gebruik van niet-advocaat gemachtigden.
Samenvatting
In deze zaak bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch stond de ontvankelijkheid van een hoger beroep centraal, waarbij de appellant werd vertegenwoordigd door een niet-advocaat gemachtigde. Op grond van artikel 8:24 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd om van een dergelijke gemachtigde een schriftelijke machtiging te verlangen. Het hof verzocht de appellant een recente machtiging over te leggen. De appellant legde een substitutiemachtiging van 13 januari 2025 over, maar dit bleek onvoldoende om aan de gestelde eis te voldoen. Het hof stoelt zijn oordeel op het arrest van de Hoge Raad van 17 april 2026, waaruit volgt dat een bestuursrechter bevoegd is om een recente machtiging te vragen zonder daarvoor concrete aanwijzingen te hoeven hebben dat de eerdere volmacht is geëindigd krachtens de volmachtbepalingen van Titel 3 van Boek 3 BW. Evenmin is de rechter verplicht zijn verzoek om een recente machtiging te motiveren. Indien de gevraagde machtiging niet binnen een redelijke, door de rechter gestelde termijn wordt overgelegd en er geen aanleiding bestaat het verzuim als verschoonbaar te beschouwen, is niet-ontvankelijkverklaring de geëigende sanctie. Nu de appellant niet binnen de gestelde termijn een deugdelijke recente machtiging heeft overgelegd en er geen sprake was van een verschoonbaar verzuim, verklaart het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak illustreert het praktische belang van actuele en correcte procesvertegenwoordigingsdocumentatie in bestuursrechtelijke procedures. Zij vormt een directe toepassing van het door de Hoge Raad in april 2026 gevestigde normenkader en heeft als zodanig beperkte zelfstandige rechtsontwikkelende betekenis, maar is wel een waarschuwing voor partijen die procederen via niet-advocaat gemachtigden.