Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbrekende machtiging gemachtigde
ECLI:NL:GHSHE:2026:2073, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29-07-2026, 24/1141
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde 2022. De gesteld gemachtigde van belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. Het hof verzocht de gesteld gemachtigde tweemaal om een recente, op naam gestelde machtiging en wees daarbij op mogelijke niet-ontvankelijkheid bij niet-tijdige aanlevering. De machtiging werd uiteindelijk overlegd, maar buiten de gestelde termijnen. Het hof ziet in de door de gesteld gemachtigde aangevoerde redenen geen grond om de te late overlegging verschoonbaar te achten. Hoger beroep niet-ontvankelijk.
Kern van de zaak
Een belanghebbende voerde hoger beroep via een niet-advocaat gemachtigde. Het hof vroeg een recente schriftelijke machtiging op grond van artikel 8:24 lid 2 Awb. De machtiging werd pas op 8 juli 2026 overgelegd (getekend 7 juli 2026), maar dit bleek niet tijdig of onvoldoende om het verzuim te herstellen.
Beslissing van de rechter
Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. De doorslaggevende reden is dat de gemachtigde niet binnen de gestelde redelijke termijn een geldige (recente) machtiging heeft overgelegd, en er geen aanleiding bestaat het verzuim als verschoonbaar te beschouwen.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een toepassingszaak die een recent HR-arrest volgt en geen nieuwe rechtsnormen stelt; de impact is beperkt tot procedurenaleving in individuele bestuursrechtelijke zaken.
Belangrijkste punten
- 1Op grond van artikel 8:24 lid 2 Awb mag de bestuursrechter een recente schriftelijke machtiging eisen van een niet-advocaat gemachtigde.
- 2Uit het HR-arrest van 17 april 2026 volgt dat de rechter geen aanwijzingen hoeft te hebben dat de eerdere volmacht is geëindigd om een nieuwe machtiging te mogen opvragen.
- 3De bestuursrechter is niet verplicht te motiveren waarom hij om een recente machtiging vraagt.
- 4Niet-ontvankelijkverklaring is alleen mogelijk als de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim binnen een redelijke termijn te herstellen.
- 5Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het verzuim niet tijdig werd hersteld en niet verschoonbaar is.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de door de Hoge Raad op 17 april 2026 geformuleerde regels toe inzake het opvragen van recente machtigingen bij niet-advocaat gemachtigden in bestuursrechtelijke procedures, en bevestigt dat niet-ontvankelijkheid een geoorloofd gevolg is bij uitblijven van herstel. Dit versterkt de toepassing van de machtigingseis als processueel drempelinstrument.
Praktische impact
Rechtzoekenden die procederen via een niet-advocaat gemachtigde dienen alert te zijn op verzoeken om een recente machtiging en moeten deze tijdig aanleveren; het nalaten hiervan leidt tot definitieve niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.
Onderwerp-impact
In geschillen waarbij burgers of bedrijven via betalende of onbetaalde niet-advocaat gemachtigden procederen tegenover de overheid, versterkt deze uitspraak de procedurele vereisten en verhoogt het risico van niet-ontvankelijkheid bij vormverzuimen.
Samenvatting
In deze zaak bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch stond de ontvankelijkheid van een hoger beroep centraal. De belanghebbende liet zich in de procedure vertegenwoordigen door een niet-advocaat gemachtigde. Het hof maakte gebruik van zijn bevoegdheid op grond van artikel 8:24 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om een recente schriftelijke machtiging te verlangen, teneinde de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde te controleren. Het hof baseerde zijn handelswijze op een arrest van de Hoge Raad van 17 april 2026, waaruit volgt dat een bestuursrechter zonder bijzondere aanleiding een recente machtiging mag opvragen – ook als er een eerdere machtiging in het dossier aanwezig is. De rechter hoeft daarvoor geen aanwijzingen te hebben dat de volmacht inmiddels is geëindigd op grond van de volmachtbepalingen in Titel 3 van Boek 3 BW, en is evenmin verplicht zijn verzoek om een recente machtiging te motiveren. De gemachtigde legde weliswaar op 8 juli 2026 een op 7 juli 2026 gedateerde machtiging over, maar dit was kennelijk niet binnen de door het hof gestelde termijn of voldeed niet aan de gestelde voorwaarden. Het hof stelde vast dat de indiener de gelegenheid had gehad het verzuim te herstellen binnen een redelijke termijn, en dat er geen grond was om het verzuim als verschoonbaar aan te merken. Op grond hiervan verklaart het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk. De uitspraak illustreert het belang van tijdige en correcte naleving van processuele voorschriften inzake vertegenwoordiging in het bestuursrecht. Partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.