Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbrekende recente machtiging
ECLI:NL:GHSHE:2026:2072, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29-07-2026, 24/1031
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde 2022. De gesteld gemachtigde van belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. Het hof verzocht de gesteld gemachtigde tweemaal om een recente, op naam gestelde machtiging en wees daarbij op mogelijke niet-ontvankelijkheid bij niet-tijdige aanlevering. De machtiging is niet binnen de gestelde termijn en ook nadien niet ontvangen. Het hof ziet in de door de gesteld gemachtigde aangevoerde redenen geen grond om het verzuim van het niet overleggen verschoonbaar te achten. Hoger beroep niet-ontvankelijk.
Kern van de zaak
Een gemachtigde (geen advocaat) voerde namens een partij hoger beroep in een bestuursrechtelijke zaak. Het hof verzocht om een recente, op naam gestelde machtiging, maar deze werd niet binnen de gestelde termijn overgelegd.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de gevraagde recente machtiging niet werd overgelegd binnen de door het hof gestelde redelijke termijn. Het hof baseerde zich daarbij op een arrest van de Hoge Raad van 17 april 2026, waaruit volgt dat een bestuursrechter bevoegd is een recente machtiging te verlangen zonder daarvoor een motiveringsplicht te hebben.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past een recent HR-arrest toe op feitelijk niveau en heeft daardoor beperkte zelfstandige precedentwerking, maar is relevant voor de dagelijkse bestuursrechtpraktijk waar niet-advocaat gemachtigden veelvuldig optreden.
Belangrijkste punten
- 1Op grond van artikel 8:24 lid 2 Awb kan de bestuursrechter van een niet-advocaat gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
- 2De Hoge Raad oordeelde op 17 april 2026 dat een bestuursrechter een recente machtiging mag opvragen zonder aanwijzingen van geëindigd zijn van de volmacht.
- 3De bestuursrechter is niet verplicht te motiveren waarom hij om een recente machtiging vraagt.
- 4Niet-ontvankelijkheid is toegestaan indien de indiener een redelijke termijn heeft gehad om het verzuim te herstellen en dit verzuim niet verschoonbaar is.
- 5De indiener heeft de gevraagde recente, op naam gestelde machtiging niet overgelegd, wat leidde tot niet-ontvankelijkverklaring.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt de toepassing van het HR-arrest van 17 april 2026 in de feitenrechtspraak: bestuursrechters mogen zonder nadere motivering recente machtigingen opvragen en bij niet-overlegging het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dit versterkt de formele procedurele vereisten voor niet-advocaat gemachtigden in het bestuursrecht.
Praktische impact
Partijen die zich laten vertegenwoordigen door een niet-advocaat gemachtigde moeten er rekening mee houden dat de rechter te allen tijde een recente machtiging kan eisen; het niet tijdig overleggen hiervan heeft direct niet-ontvankelijkheid tot gevolg.
Onderwerp-impact
Voor overheidsrechtelijke procedures geldt dat de drempel voor procesvertegenwoordiging door niet-advocaten feitelijk wordt verhoogd, omdat rechters actief en zonder motiveringsplicht recente machtigingen kunnen verlangen.
Samenvatting
In deze bestuursrechtelijke hoger-beroepszaak bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch stond centraal of het hoger beroep ontvankelijk was, gelet op het feit dat de gemachtigde van de appellant geen advocaat is en geen recente machtiging had overgelegd. Het hof had, gebruikmakend van zijn bevoegdheid op grond van artikel 8:24 lid 2 Awb, verzocht om een recente, op naam gestelde schriftelijke machtiging. Dit verzoek bleef zonder resultaat: de gevraagde machtiging werd niet binnen de gestelde termijn ingediend. Het hof baseerde zijn oordeel expliciet op een arrest van de Huge Raad van 17 april 2026, waarin drie wezenlijke uitgangspunten zijn vastgelegd. Ten eerste is de bestuursrechter bevoegd om een recente machtiging te verlangen, ook zonder concrete aanwijzingen dat de eerder verleende volmacht op grond van Titel 3 van Boek 3 BW zou zijn geëindigd. Ten tweede rust op de rechter geen motiveringsplicht bij dit verzoek. Ten derde mag de rechter het beroep niet-ontvankelijk verklaren indien de indiener ondanks een redelijke hersteltermijn geen nieuwe machtiging overlegt én er geen sprake is van een verschoonbaar verzuim. Aan alle voorwaarden voor niet-ontvankelijkverklaring was voldaan: de appellant had de gelegenheid gekregen het verzuim te herstellen, maar heeft dat nagelaten, terwijl geen omstandigheden waren gebleken die het verzuim verschoonbaar maakten. Het hof verklaarde het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk. Deze uitspraak illustreert dat de formele eisen aan procesvertegenwoordiging door niet-advocaten in het bestuursrecht strikt worden gehandhaafd. Voor de praktijk betekent dit dat gemachtigden zonder advocatenstatus alert moeten zijn op rechterlijke verzoeken om (recente) machtigingen en direct en tijdig moeten reageren om verlies van toegang tot de rechter te voorkomen.