Belastingrechter toetst redelijkheid schatting vennootschapsbelasting 2018
ECLI:NL:GHSHE:2026:1948, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22-07-2026, 25/65 en 25/66
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Het hof is van oordeel dat de inspecteur terecht en niet te hoge aanslagen vennootschapsbelasting aan belanghebbende heeft opgelegd. Het hof acht het aannemelijk dat belanghebbende in onderhavige jaren voor haar rekening en risico het restaurant exploiteerde. Voor 2017 heeft de inspecteur op basis van een gemotiveerde schatting aannemelijk gemaakt dat de aanslag niet te hoog is. Voor 2018 geldt dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, belanghebbende niet heeft doen blijken dat de aanslag te hoog is en dat voorts sprake is van een redelijk schatting.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (vennootschap) is in geschil met de inspecteur over een aanslag vennootschapsbelasting 2018 van €228.465, vastgesteld op basis van een schatting door de inspecteur wegens omkering en verzwaring van de bewijslast. De belastingplichtige betwist de redelijkheid van de schatting.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch beoordeelt of de schatting van de inspecteur de redelijkheidstoets kan doorstaan, waarbij de aanslag is gebaseerd op geschatte opbrengsten van €356.724. De doorslaggevende reden is het kader van omkering en verzwaring van de bewijslast, waarbij de inspecteur de schatting voldoende feitelijk moet onderbouwen zodat deze niet als willekeurig kan worden aangemerkt.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen vaste jurisprudentie over omkering van de bewijslast en de redelijkheidstoets bij aanslagen; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en het betreft een feitelijke toepassing op een individueel geval.
Belangrijkste punten
- 1Bij omkering en verzwaring van de bewijslast moet de inspecteur zijn schatting van het belastbaar inkomen met feitelijke stellingen onderbouwen (redelijkheidseis).
- 2De redelijkheidstoets is niet streng: de schatting hoeft slechts niet willekeurig te zijn.
- 3Belanghebbende kan volstaan met een betwisting van de redelijkheid; hij hoeft niet het volledige tegenbewijs te leveren.
- 4De belastingrechter heeft de bevoegdheid een onredelijke schatting door een eigen schatting 'in goede justitie' te vervangen.
- 5Bij de beoordeling wordt meegewogen in hoeverre de inspecteur over gegevens beschikte én in hoeverre de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande lijn omtrent de redelijkheidstoets bij ambtshalve aanslagen na omkering van de bewijslast, zonder nieuwe rechtsregels te stellen. De rechter herhaalt dat de toets niet streng is, maar dat willekeur wel wordt uitgesloten.
Praktische impact
Voor de belastingplichtige betekent dit dat de aanslag Vpb 2018 van €228.465 inhoudelijk wordt getoetst op redelijkheid; een geslaagde betwisting kan leiden tot vermindering of vervanging door een rechterlijke schatting.
Onderwerp-impact
In het kader van vennootschapsbelasting en geschatte aanslagen verduidelijkt deze zaak de grenzen van de inspecteursbevoegdheid bij het vaststellen van belastbare winst zonder volledige administratie.
Samenvatting
In deze belastingzaak voor het Gerechtshof 's-Hertogenbosch staat de aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) over het jaar 2018 centraal. De inspecteur heeft de aanslag vastgesteld op €228.465, gebaseerd op een ambtshalve schatting van de belastbare winst na toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast. Aanleiding hiervoor was vermoedelijk het ontbreken of onvolledig zijn van de vereiste aangifte of administratie. De schatting ging uit van geschatte opbrengsten van €356.724. De juridische kern van de zaak draait om de vraag of deze schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. Het hof herhaalt de vaste rechtslijn: bij omkering van de bewijslast rust op de inspecteur de plicht zijn schatting met feitelijke stellingen te onderbouwen, zodat willekeur wordt voorkomen. De toets is echter niet streng — de schatting hoeft slechts niet willekeurig te zijn. De belastingplichtige kan volstaan met een betwisting van de redelijkheid, zonder het volledige tegenbewijs te hoeven leveren. Bij de beoordeling weegt de rechter mee in hoeverre de inspecteur over relevante gegevens beschikte en in hoeverre de belastingplichtige zelf opening van zaken kon geven. Indien de rechter de schatting onredelijk acht, beschikt hij over de bevoegdheid deze te vervangen door een eigen, in goede justitie opgemaakte schatting. De uitspraak introduceert geen nieuwe rechtsnormen, maar past de bestaande jurisprudentielijn toe op de specifieke feiten van dit geval. Voor de belastingplichtige biedt de procedure de mogelijkheid de aanslag te laten matigen indien de rechter oordeelt dat de inspecteurschatting de redelijkheidsgrens overschrijdt. Partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.