Hoger beroep navorderingsaanslag IB/PVV 2019 deels behandeld
ECLI:NL:GHSHE:2026:1944, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22-07-2026, 24/1456
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Belanghebbende is aandeelhouder van een BV. De inspecteur heeft navorderingsaanslagen opgelegd, omdat de BV uitdelingen aan belanghebbende heeft gedaan. Het hof oordeelt dat de inspecteur de uitdelingen voor een gedeelte niet aannemelijk heeft gemaakt en daarom worden de navorderingsaanslagen door het hof verminderd. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel wordt door het hof verworpen.
Kern van de zaak
Een in België wonende belanghebbende met 50% aandelenbelang in een Nederlandse BV procedeert over een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2019, inclusief belastingrente en een boete. Zowel in bezwaar als in eerste aanleg (rechtbank) werd het beroep al (gedeeltelijk) gegrond verklaard, waarna belanghebbende verder hoger beroep instelde bij Gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Beslissing van de rechter
De uitspraak is op 22 juli 2026 in het openbaar uitgesproken, maar de beschikbare tekst bevat onvoldoende inhoud om de concrete beslissing (toewijzing, afwijzing of gedeeltelijke gegrondverklaring) en de doorslaggevende reden volledig te reconstrueren. Op basis van de processtukken lijkt het hoger beroep betrekking te hebben op de navorderingsaanslag IB/PVV 2019, de rentebeschikking en de boetebeschikking.
Impactscore
LaagHet betreft een belastinggeschil op hoger beroepsniveau over één belastingjaar voor een individuele belastingplichtige; de beschikbare uitspraaktekst is te fragmentarisch om een hogere impact te rechtvaardigen en er zijn geen aanwijzingen van richtinggevende rechtsvragen.
Belangrijkste punten
- 1Navorderingsaanslag IB/PVV 2019 opgelegd aan in België wonende belastingplichtige met aandelenbelang in Nederlandse BV
- 2Bezwaar door inspecteur gegrond verklaard; rechtbank verklaarde ook het beroep gegrond
- 3Hoger beroep bij Gerechtshof 's-Hertogenbosch door belanghebbende ingesteld
- 4Zitting behandelde gelijktijdig meerdere samenhangende zaken (nummers 24/1443 t/m 24/1697)
- 5Cassatieberoep bij de Hoge Raad mogelijk binnen zes weken na verzending uitspraak
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak raakt aan de navorderingsbevoegdheid van de Belastingdienst bij buitenlandse belastingplichtigen met aandelenbelangen in Nederlandse vennootschappen, maar de volledige juridische impact kan niet worden vastgesteld bij gebreke van de inhoudelijke overwegingen in de beschikbare tekst.
Praktische impact
Voor belanghebbende en de betrokken BV heeft de uitkomst directe financiële gevolgen voor de verschuldigde IB/PVV over 2019, de belastingrente en de opgelegde boete; de exacte uitkomst is op basis van de beschikbare tekst onzeker.
Onderwerp-impact
De zaak betreft de belastingheffing over aandelenbezit in een Nederlandse BV door een in België woonachtige aandeelhouder, een situatie die relevant is voor grensoverschrijdende structuren met directeur-grootaandeelhouders.
Samenvatting
Deze zaak betreft een hoger beroepsprocedure bij Gerechtshof 's-Hertogenbosch over een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2019. Belanghebbende, een in België woonachtige natuurlijk persoon met een 50%-aandelenbelang in een Nederlandse besloten vennootschap, heeft de navorderingsaanslag — samen met een belastingrente- en boetebeschikking — in meerdere instanties aangevochten. De inspecteur verklaarde het bezwaar aanvankelijk gegrond, waarna de rechtbank Zeeland-West-Brabant in augustus 2024 het beroep eveneens gegrond verklaarde. Belanghebbende ging vervolgens in hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Opvallend is dat de zitting op 13 maart 2026 gelijktijdig meerdere samenhangende zaken betrof, hetgeen duidt op een bredere structuur van belastinggeschillen rondom dezelfde of gerelateerde vennootschappen en personen. De uitspraak is op 22 juli 2026 in het openbaar gedaan. Helaas bevat de beschikbare uitspraaktekst uitsluitend de procedurele inleiding en de feitenvaststellingen tot en met de aandeelhouderspositie van belanghebbende; de inhoudelijke overwegingen en het dictum ontbreken. Daardoor kan niet met zekerheid worden vastgesteld wat het hof heeft beslist ten aanzien van de navorderingsaanslag, de rentebeschikking en de boete, noch welke juridische gronden doorslaggevend waren. Tegen de uitspraak staat binnen zes weken cassatieberoep open bij de Hoge Raad. Gezien de grensoverschrijdende dimensie (woonplaats België, aandeelbelang in Nederlandse BV) en de navorderingsbevoegdheid zijn mogelijk ook verdragsrechtelijke aspecten in het geding, maar dit kan op basis van de beschikbare tekst niet worden bevestigd.