Chauffeurswerkzaamheden belast als resultaat uit overige werkzaamheid
ECLI:NL:GHSHE:2026:1941, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22-07-2026, 24/1443 en 24/1444
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Belanghebbende verricht zonder vergoeding werkzaamheden voor een BV, waarvan zijn kinderen de (middellijke) aandeelhouders zijn. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de herziene verliesverrekeningsbeschikkingen en de navorderingsaanslag IB/PVV een ROW voor de jaren 2019 en 2020 in aanmerking genomen en een vergrijpboete opgelegd. Het hof laat de verliesverrekeningsbeschikking en de navorderingsaanslag in stand, maar vernietigt de vergrijpboete omdat sprake is van een pleitbaar standpunt.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige verrichtte chauffeurswerkzaamheden via of voor een B.V. zonder gebonden te zijn aan instructies van het bestuur. De Belastingdienst stelde dat deze inkomsten belast zijn als resultaat uit overige werkzaamheden. Belanghebbende was het hier niet mee eens en procedeerde hierover.
Beslissing van de rechter
Het hof heeft de aanslag inkomstenbelasting bevestigd en geoordeeld dat de chauffeurswerkzaamheden kwalificeren als overige werkzaamheid in de zin van artikel 3.90 en 3.94 Wet IB 2001. De doorslaggevende reden is dat de belastingplichtige niet gebonden was aan instructies van het bestuur van de B.V., waardoor er geen sprake is van belastbaar loon of winst, maar van resultaat uit overige werkzaamheden.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen bestaande jurisprudentie en beleidskaders; de toepassing van de onzakelijkhandelingsleer op resultaat uit overige werkzaamheden is niet nieuw, maar de bevestiging door een gerechtshof heeft beperkte precedentwerking op zaaksniveau.
Belangrijkste punten
- 1Chauffeurswerkzaamheden zonder instructiebinding kwalificeren als overige werkzaamheid (art. 3.90 Wet IB 2001)
- 2Het resultaatsbegrip uit art. 3.94 Wet IB 2001 sluit nauw aan bij het totaalwinstbegrip van art. 3.8 Wet IB 2001
- 3De onzakelijkhandelingsleer uit het winstregime is eveneens van toepassing op resultaat uit overige werkzaamheden
- 4Controlerapporten van de Belastingdienst (2022) speelden een rol bij de feitelijke beoordeling; de belastingplichtige heeft deze niet ontzenuwd
- 5Bewust onzakelijk handelen met verbonden personen leidt tot correctie van het resultaat uit de werkzaamheid
Impactanalyse
Juridische impact
Het hof bevestigt dat de onzakelijkhandelingsleer uit het winstregime analoog geldt voor resultaat uit overige werkzaamheden, wat de toepassingsreikwijdte van deze correctienorm verduidelijkt. Dit is in lijn met de parlementaire toelichting op art. 3.94 Wet IB 2001.
Praktische impact
Personen die werkzaamheden verrichten zonder instructiebinding aan een B.V. — ook al zijn zij daarmee verbonden — lopen het risico dat hun inkomsten niet als loon maar als overig resultaat worden belast, met mogelijke correcties bij onzakelijk handelen.
Onderwerp-impact
In de sfeer van familiebedrijven en paardenpensions waar werkzaamheden via informele constructies worden verricht, benadrukt deze uitspraak het belang van een duidelijke instructieverhouding om kwalificatie als overige werkzaamheid te vermijden.
Samenvatting
In deze zaak oordeelt het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over de fiscale kwalificatie van chauffeurswerkzaamheden die een belastingplichtige verrichtte in verband met een B.V. De Belastingdienst had op basis van controlerapporten vastgesteld dat de belastingplichtige bij zijn werkzaamheden niet gebonden was aan instructies van het bestuur van de B.V., en had de inkomsten daaruit belast als resultaat uit overige werkzaamheden ex artikel 3.90 en 3.94 Wet IB 2001. Belanghebbende betwistte deze kwalificatie, maar slaagde er niet in de bevindingen uit de controlerapporten te ontzenuwen. Het hof stelt vast dat de chauffeurswerkzaamheden niet leiden tot belastbare winst of belastbaar loon, zodat kwalificatie als overige werkzaamheid op zijn plaats is. Daarbij overweegt het hof dat het resultaatsbegrip van artikel 3.94 Wet IB 2001 — blijkens de memorie van toelichting — nauw aansluit bij het totaalwinstbegrip van artikel 3.8 Wet IB 2001. Dit brengt mee dat ook de onzakelijkhandelingsleer, zoals ontwikkeld voor het winstregime, van overeenkomstige toepassing is bij de bepaling van het resultaat uit een werkzaamheid. Als een belastingplichtige in het kader van zijn werkzaamheid bewust onzakelijk handelt met een verbonden persoon, dient het resultaat in beginsel gecorrigeerd te worden naar zakelijke maatstaven. De uitspraak illustreert hoe de feitelijke verhouding tussen een werkende en een vennootschap bepalend is voor de fiscale kwalificatie van inkomsten. Het ontbreken van instructiebinding is in dit geval doorslaggevend gebleken voor de vaststelling dat geen sprake is van een dienstbetrekking. De zaak speelt verder in de context van een familiebedrijf met diverse activiteiten, waaronder een paardenpension, waarbij meerdere familieleden betrokken zijn. Het hof bevestigt de aanslag inkomstenbelasting.