Paardenbak en weiland niet als woning-aanhorigheid aangemerkt
ECLI:NL:GHSHE:2026:1802, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-07-2026, 25/1182
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Artikel 14, lid 2 WBR. Overdrachtsbelasting 2%-tarief voor aanhorigheid. Boerenerf: alle percelen behoren bij de woning, zijn daarbij in gebruik en daaraan dienstbaar. Beoordeling op tijdstip verkrijging naar beoogd gebruik.
Kern van de zaak
Belanghebbenden kochten een woonhuis met bijbehorende percelen (schuren, paardenbak, weiland) en claimden het verlaagde overdrachtsbelastingtarief van 2% voor alle percelen. De inspecteur betwistte of de extra percelen als 'aanhorigheden van de woning' kwalificeren. Het geschil belandde in hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Beslissing van de rechter
Het hof oordeelt dat het woonhuis-perceel kwalificeert voor het 2%-tarief; voor de overige percelen (schuren, paardenbak, weiland) dienen deze als aanhorigheden van de woning aangemerkt te worden om het verlaagde tarief te genieten. De bewijslast rust op belanghebbenden, die aannemelijk moeten maken dat die percelen tot de woning behoren; de uitkomst van die beoordeling is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijke beoordeling in een individueel belastinggeschil op hoger beroepsniveau; de rechtsvraag is niet nieuw en de uitkomst heeft beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare landelijk-woonpercelen.
Belangrijkste punten
- 1Het 2%-overdrachtsbelastingtarief geldt voor woningen én aanhorigheden die tot de woning behoren (art. 14 lid 6 WBR, tekst 2023).
- 2De bewijslast voor het verlaagde tarief rust op de belastingplichtige (beroep op gunstige regeling).
- 3Aanhorigheden mogen een eigen kadastraal nummer hebben en hoeven niet op hetzelfde perceel als de woning te liggen.
- 4Aansluiting bij het begrip 'aanhorigheden' uit de eigenwoningregeling (parlementaire geschiedenis TK 2012-2013, 33 402, nr. 3).
- 5De vraag of schuren, paardenbak en weiland als aanhorigheden kwalificeren, vereist een feitelijke beoordeling van de functionele samenhang met de woning.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van het bewijslastcriterium bij het 2%-woningtarief in de overdrachtsbelasting en sluit aan bij de parlementaire invulling van het aanhorighedenbegrip. Dit biedt verduidelijking voor situaties waarin meerdere kadastrale percelen met verschillende functies (weiland, paardenbak) worden verkregen naast een woonhuis.
Praktische impact
Kopers van gemengde landelijk-woonpercelen moeten bij aankoop kunnen aantonen dat niet-woonpercelen functioneel bij de woning horen om het verlaagde tarief te claimen; anders geldt het hogere tarief (10,4%) over die percelen.
Onderwerp-impact
Voor de vastgoedpraktijk benadrukt dit dat het aanhorighedenbegrip bij rurale eigendommen met paardenbakken en weiland niet vanzelfsprekend wordt ingevuld; een deugdelijke onderbouwing van de functionele samenhang is essentieel.
Samenvatting
In deze hoger beroepszaak voor het Gerechtshof 's-Hertogenbosch stond centraal of bij de aankoop van een woning met bijbehorende percelen (schuren, paardenbak en weiland) het verlaagde overdrachtsbelastingtarief van 2% van toepassing was op alle verkregen percelen. Belanghebbenden hadden een woonhuis verkregen alsmede drie aangrenzende kadastrale percelen met respectievelijk schuren, een paardenbak met weiland en afzonderlijk weiland. De inspecteur betwistte dat voor deze extra percelen het woningtarief gold. Het hof stelt voorop dat het perceel met het woonhuis zonder meer kwalificeert als woning waarop het 2%-tarief van toepassing is. Voor de overige percelen geldt dit verlaagde tarief uitsluitend indien zij als 'aanhorigheden die tot de woning behoren' kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 14 lid 6 Wet op belastingen van rechtsverkeer (tekst 2023). Het hof wijst erop dat de bewijslast hiervan op belanghebbenden rust, nu zij een beroep doen op een fiscaal gunstige regeling. Bij de uitleg van het begrip 'aanhorigheden' sluit het hof aan bij de parlementaire geschiedenis, waarin is verduidelijkt dat aanhorigheden zoals tuinen, garages en schuren onder het woningbegrip vallen en een eigen kadastraal nummer mogen hebben. Tevens wordt aangeknoopt bij de uitgangspunten die gelden voor de eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting. De kern van het geschil is of de schuren, de paardenbak en het weiland functioneel samenhangen met de woning, dan wel een zelfstandige gebruiksbestemming hebben. De beschikbare uitspraaktekst is onvolledig, waardoor de definitieve conclusie van het hof over elk afzonderlijk perceel niet volledig kan worden weergegeven. Op basis van de beschikbare overwegingen is duidelijk dat het hof een inhoudelijke feitelijke toets aanlegt waarbij de functionele band met de woning bepalend is voor de kwalificatie als aanhorigheid en daarmee voor de toepasselijkheid van het 2%-tarief.