Aanslag leges vernietigd: heffing waterlichaam ten onrechte opgelegd
ECLI:NL:GHSHE:2026:1801, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-07-2026, 25/1447
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Legesheffing waterschap. De legesverordening bevat onduidelijke en onbepaalde heffingsgrondslagen en vergt onaanvaardbaar veel doenvermogen van het publiek. De daardoor opgeroepen lastenverzwaring is door het waterschap onzorgvuldig voorbereid en gebrekkig gemotiveerd (exceptieve toetsing, evenredigheidsbeginsel). De daarop gebaseerde legesaanslag voor een evenement (de Bietentocht) is terecht door de rechtbank vernietigd.
Kern van de zaak
Een belanghebbende kreeg van de heffingsambtenaar een aanslag leges opgelegd voor drie typen handelingen, waaronder handelingen met betrekking tot een oppervlaktelichaam. De belanghebbende bestreed de aanslag bij de rechtbank. De rechtbank vernietigde de aanslag, waarna de heffingsambtenaar hoger beroep instelde bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Beslissing van de rechter
Het hof behandelt het hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen de vernietiging van de legesaanslag door de rechtbank. De rechtbank had de aanslag vernietigd omdat de heffing voor 'handelingen met betrekking tot een oppervlaktelichaam' ten onrechte had plaatsgevonden, en ook de resterende twee heffingen van elk € 500 niet standhielden. De uitspraak van het hof zelf is op basis van de beschikbare tekst slechts gedeeltelijk leesbaar, waardoor de definitieve uitkomst in hoger beroep met enige onzekerheid moet worden beschreven.
Impactscore
LaagHet betreft een relatief routinematige belastingzaak op gemeentelijk niveau over leges; de rechtsvragen zijn casuïstisch van aard en de uitspraak heeft beperkte precedentwerking buiten de betrokken gemeente. De onvolledige beschikbare tekst vergroot de onzekerheid over de definitieve impact.
Belangrijkste punten
- 1De heffing voor 'handelingen met betrekking tot een oppervlaktelichaam' (art. 1.11 Verordening 2023) was tussen partijen onbetwist ten onrechte opgelegd.
- 2De rechtbank vernietigde de volledige legesaanslag, inclusief de resterende twee heffingen van elk € 500 voor andere handelingstypen.
- 3De heffingsambtenaar verscheen zonder kennisgeving niet op de zitting in hoger beroep van 5 juni 2026.
- 4Uit de parlementaire/bestuurlijke voorbereiding blijkt dat vergunningaanvragen met een maatschappelijk doel bewust niet apart zijn vrijgesteld of verlaagd vanwege objectiveringsproblemen en hogere beoordelingskosten.
- 5De zaak betreft de rechtmatigheid van gemeentelijke leges onder de Verordening 2023 en de bijbehorende Tarieventabel.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak verduidelijkt dat gemeentelijke legesverordeningen strikt moeten worden toegepast en dat onduidelijke of onterechte heffingsgrondslagen tot volledige vernietiging van een aanslag kunnen leiden. De afwezigheid van de heffingsambtenaar ter zitting in hoger beroep zonder bericht is procesrechtelijk relevant.
Praktische impact
Voor de belanghebbende betekent de uitspraak van de rechtbank dat de volledige legesaanslag is vernietigd en het griffierecht van € 371 wordt vergoed; de uitkomst in hoger beroep is op basis van de beschikbare tekst onzeker. Gemeenten worden gewaarschuwd zorgvuldig te zijn bij het formuleren van heffingsgrondslagen in legesverordeningen.
Onderwerp-impact
Voor de praktijk van gemeentelijke leges en vergunningverlening benadrukt deze zaak het belang van heldere en rechtmatige grondslag in tarieventabellen, met name wanneer meerdere handelingstypen worden gecombineerd in één aanslag.
Samenvatting
In deze zaak stond de rechtmatigheid van een gemeentelijke legesaanslag centraal, opgelegd aan een belanghebbende op grond van de gemeentelijke Verordening 2023 en de bijbehorende Tarieventabel. De aanslag had betrekking op drie typen handelingen: handelingen met betrekking tot een oppervlaktelichaam (artikel 1.11 Verordening 2023) en twee overige handelingstypen waarvoor elk € 500 in rekening werd gebracht. Tijdens de procedure bij de rechtbank erkenden partijen gezamenlijk dat de heffing voor het oppervlaktelichaam ten onrechte had plaatsgevonden. De rechtbank beoordeelde vervolgens ook de resterende twee heffingen kritisch en concludeerde dat de volledige aanslag ten onrechte was opgelegd. De aanslag werd vernietigd en de heffingsambtenaar werd gelast het griffierecht van € 371 aan belanghebbende te vergoeden. De heffingsambtenaar stelde tegen deze uitspraak hoger beroep in bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Opvallend is dat de heffingsambtenaar, hoewel tijdig en correct uitgenodigd, zonder kennisgeving niet verscheen op de zitting van 5 juni 2026. Uit de bestuurlijke voorbereiding van de Verordening 2023 blijkt dat het algemeen bestuur bewust heeft afgezien van een aparte categorie voor vergunningaanvragen met een maatschappelijk doel, omdat dit objectief moeilijk te beoordelen zou zijn en dergelijke aanvragen doorgaans meer ambtelijke tijd vergen. De zaak illustreert de spanning tussen de wens van gemeenten om leges kostendekkend en eenvoudig toepasbaar te maken enerzijds, en de eis van juridische nauwkeurigheid in heffingsgrondslagen anderzijds. Op basis van de beschikbare tekst is de definitieve uitkomst in hoger beroep niet met zekerheid vast te stellen.