Ontnemingsmaatregel vastgesteld op ruim €171.000 ondanks draagkrachtverweer
ECLI:NL:GHSHE:2026:1244, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 01-05-2026, 20-001674-22 (OWV)
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens het overtreden van een bevel tot stillegging dat was gegeven door de Inspectie SZW.
Kern van de zaak
Het Openbaar Ministerie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een betrokkene. De verdediging stelde dat de betrokkene geen draagkracht heeft om te betalen. Het hof beoordeelde zowel de hoogte van het voordeel als de redelijke termijn.
Beslissing van de rechter
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €171.866,00. Het draagkrachtverweer wordt verworpen omdat niet aanstonds duidelijk is dat de betrokkene nu én in de toekomst geen draagkracht heeft; overschrijding van de redelijke termijn met ruim 20 maanden wordt wel geconstateerd en verdisconteerd.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen gevestigde jurisprudentie over draagkracht en redelijke termijn in ontnemingszaken en heeft geen precedentwerking buiten de concrete zaak; de rechtsvragen zijn niet nieuw.
Belangrijkste punten
- 1Draagkracht leidt alleen tot matiging van de betalingsverplichting indien aanstonds duidelijk is dat betrokkene nu én in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben.
- 2Het hof acht onvoldoende aangetoond dat betrokkene geen bezittingen heeft, zodat matiging op grond van draagkracht niet aan de orde is.
- 3De redelijke termijn van 24 maanden (ex artikel 6 EVRM) is overschreden: aanvang conservatoir beslag 26 oktober 2018, vonnis rechtbank 12 juli 2022 — overschrijding van ruim 20 maanden.
- 4Het hof vernietigt het vonnis en stelt het geschatte voordeel zelf vast op €171.866,00.
- 5Toepasselijke wettelijke grondslag is artikel 36e Wetboek van Strafrecht.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat draagkracht in ontnemingszaken slechts tot matiging leidt bij evidente en bestendige betalingsonmacht, en dat overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingsprocedures wordt meegewogen maar niet automatisch tot aanzienlijke korting leidt.
Praktische impact
De betrokkene wordt verplicht €171.866,00 te betalen als ontnemingsmaatregel; het draagkrachtverweer biedt geen onmiddellijk soelaas, al staat de weg open om later bij de executierechter opnieuw een beroep op draagkracht te doen.
Onderwerp-impact
In ontnemingszaken waarbij sprake is van faillissement of financiële neergang van de betrokkene, onderstreept deze uitspraak dat enkel een bankrekening met beslag en gesteld gebrek aan inkomsten onvoldoende is om matiging af te dwingen.
Samenvatting
In deze ontnemingszaak bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch stond centraal of het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene terecht was vastgesteld en of de betalingsverplichting gematigd moest worden wegens gebrek aan draagkracht. De raadsman voerde aan dat de betrokkene geen inkomsten meer heeft, geen bezittingen meer bezit en dat er slechts een bankrekening resteert waarop beslag ligt. Het hof verwerpt dit verweer op grond van de vaste maatstaf: draagkracht leidt in het ontnemingsgeding alleen tot matiging indien aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dit moment én in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Nu het hof niet kon vaststellen dat de betrokkene daadwerkelijk geen bezittingen heeft, en een mogelijke doorstart niet kon worden uitgesloten, was er onvoldoende grond om de betalingsverplichting al in dit stadium te matigen. Daarnaast constateerde het hof een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De termijn van 24 maanden ving aan op 26 oktober 2018, het moment waarop de rechter-commissaris een machtiging tot conservatoir beslag verleende. De rechtbank wees pas op 12 juli 2022 vonnis, waardoor de redelijke termijn met ruim 20 maanden werd overschreden. Het hof verdisconteert deze overschrijding in zijn oordeel. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en stelt zelf het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €171.866,00, met toepassing van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De uitspraak bevestigt daarmee de heersende lijn in de ontnemingsjurisprudentie: een beroep op draagkracht vereist overtuigend bewijs van blijvende betalingsonmacht, en een overschrijding van de redelijke termijn leidt niet automatisch tot substantiële verlaging van de ontnemingsmaatregel.