Hof veroordeelt verdachte voor mishandeling na nekklem en slagen
ECLI:NL:GHSHE:2026:1187, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29-04-2026, 20-002643-24
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een mishandeling naar aanleiding van een verkeersruzie, waarbij de verdachte het slachtoffer in een nekklem heeft gehouden. Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis, waarvan 25 uren subsidiair 12 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 904,01.
Kern van de zaak
Een verdachte werd in hoger beroep berecht voor mishandeling van een aangever. De verdachte stelde dat hij slechts afwerende bewegingen maakte nadat de aangever als aanvallende partij op hem afliep, hem uitschold en duwde. De aangever liep letsel op, waaronder aan zijn pink en een rode verkleuring rond zijn oog.
Beslissing van de rechter
Het hof verwerpt het vrijspraakverweer van de verdediging en acht mishandeling bewezen. Doorslaggevend zijn de consistente en elkaar ondersteunende verklaringen van de aangever en een getuige, in combinatie met dashcambeelden die bevestigen dat de verdachte als eerste agressief op de aangever afkwam.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige hoger beroepszaak over eenvoudige mishandeling bij een gerechtshof, zonder nieuwe rechtsvragen of richtinggevende overwegingen. De uitspraak is feitelijk van aard en heeft geen noemenswaardig precedentwerkend karakter.
Belangrijkste punten
- 1Verklaringen van aangever en getuige zijn helder, consistent en ondersteunen elkaar over en weer.
- 2Dashcambeelden bevestigen dat de verdachte als eerste agressief de aangever benaderde, wat de lezing van de verdachte weerlegt.
- 3Het hof kwalificeert slaan en nekklem als handelingen die naar uiterlijke verschijningsvorm gericht zijn op het toebrengen van pijn en/of lichamelijk letsel.
- 4Het opzetverweer (geen opzet op mishandeling) wordt verworpen: de gedragingen impliceren opzet op grond van hun objectieve karakter.
- 5Het causaal verband tussen het handelen van de verdachte en het letsel aan de pink wordt aangenomen op basis van de gebezigde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de toepassing van het leerstuk van de uiterlijke verschijningsvorm bij de beoordeling van (voorwaardelijk) opzet bij mishandeling. De beslissing is casuïstisch van aard en heeft beperkte precedentwerking buiten de specifieke feitelijke context.
Praktische impact
De verdachte wordt in hoger beroep veroordeeld voor mishandeling; zijn beroep op zelfverdediging of het ontbreken van opzet wordt niet gehonoreerd. De uitkomst bevestigt dat dashcambeelden en getuigenverklaringen doorslaggevend kunnen zijn bij tegenstrijdige lezingen van partijen.
Onderwerp-impact
In de context van geweldsdelicten in de publieke ruimte benadrukt deze zaak het belang van objectief bewijsmateriaal zoals dashcambeelden bij de beoordeling van wie de agressie initieerde.
Samenvatting
In deze strafzaak in hoger beroep beoordeelde het Gerechtshof 's-Hertogenbosch of de verdachte zich schuldig had gemaakt aan mishandeling van de aangever. De verdachte betwistte dit en stelde dat de aangever als eerste agressief was opgetreden: hij zou de verdachte hebben uitgescholden, geduwd en geprobeerd te slaan. De verdachte erkende dat hij de aangever in een nekklem had gehouden, maar kwalificeerde dit als een maatregel om de situatie te kalmeren. Tevens bestreed hij dat het letsel aan de pink van de aangever door zijn toedoen was ontstaan, omdat hij slechts afwerende bewegingen zou hebben gemaakt. Het hof verwierp dit verweer. Op basis van de verklaringen van de aangever en een getuige, die het hof helder en consistent achtte en die elkaar wederzijds ondersteutten, alsmede op basis van dashcambeelden, concludeerde het hof dat de verdachte als eerste agressief op de aangever afkwam. De bewijsmiddelen wezen er in onderlinge samenhang op dat de verdachte de aangever heeft geslagen en in een nekklem heeft gehouden, met letsel als gevolg. Ten aanzien van het opzet oordeelde het hof dat de handelingen van de verdachte — slaan en het toepassen van een nekklem — naar hun uiterlijke verschijningsvorm zodanig zijn gericht op het toebrengen van pijn en/of lichamelijk letsel, dat het opzet daarop als bewezen moet worden aangemerkt. Het beroep op het ontbreken van opzet werd daarmee verworpen. Het hof zag geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de bewijsmiddelen. De mishandeling werd dan ook bewezen verklaard. De uitspraak is feitelijk van aard en heeft geen richtinggevend karakter, maar illustreert het belang van objectief bewijsmateriaal bij tegenstrijdige verklaringen van partijen in geweldszaken.