Hof legt ontnemingsmaatregel op van 1080 dagen bij hennepkwekerij
ECLI:NL:GHSHE:2025:2597, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25-09-2025, 20-000589-24
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na hennepkwekerij. Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie en de overschrijding van de redelijke termijn.
Kern van de zaak
Een verdachte is door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch beoordeeld in het kader van een ontnemingsprocedure na betrokkenheid bij een hennepkwekerij. De zaak betreft onder meer de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij discussie bestaat over de aftrekbare kosten en het aandeel van een medeverdachte in de opbrengsten.
Beslissing van de rechter
Het hof stelt de ontnemingsmaatregel vast en bepaalt de vervangende hechtenis op 1080 dagen op grond van artikel 36e Sr. De doorslaggevende reden is de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepkwekerij, waarbij het hof rekening houdt met afschrijvingskosten, kosten voor hennepstekken en variabele kosten tot een bedrag van € 30.178,43.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen gevestigde jurisprudentie en bevat geen nieuwe rechtsnormen; de impact is beperkt tot de betrokken partijen en betreft een feitelijke toepassing van bekende regels inzake ontneming en niet-ontvankelijkheid.
Belangrijkste punten
- 1Niet-ontvankelijkheid van het OM is slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk, ook bij schending van verdedigingsrechten
- 2Overschrijding van de redelijke termijn (art. 6 EVRM) leidt nooit op zichzelf tot niet-ontvankelijkheid van het OM
- 3Inbreuk op verdedigingsrechten buiten het bereik van art. 359a Sv kan alleen tot niet-ontvankelijkheid leiden indien geen eerlijk proces meer mogelijk is
- 4Ontnemingsmaatregel gebaseerd op art. 36e Sr; vervangende hechtenis vastgesteld op 1080 dagen
- 5Discussie over aftrekbare kosten (€ 30.178,43) en aandeel medeverdachte in opbrengsten
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt vaste Hoge Raad-jurisprudentie over de drempel voor niet-ontvankelijkheid van het OM en de beperkte reikwijdte van artikel 6 EVRM ten aanzien van verdedigingsrechten. Voor de ontnemingspraktijk bevestigt het hof dat kosten en aandelen van medeverdachten expliciet in de voordeeberekening worden betrokken.
Praktische impact
Voor de verdachte betekent de vastgestelde ontnemingsmaatregel een concrete financiële sanctie, met 1080 dagen vervangende hechtenis als stok achter de deur. Medebetrokkenen kunnen aanspraak maken op aftrek van hun aandeel, maar dienen dit deugdelijk te onderbouwen.
Onderwerp-impact
In drugsgerelateerde strafzaken onderstreept deze uitspraak dat het hof kritisch toetst op de verdeling van opbrengsten en kosten bij meerdere betrokkenen bij een hennepkwekerij.
Samenvatting
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch deed op 25 september 2025 uitspraak in een ontnemingszaak die voortvloeide uit een strafzaak rondom een hennepkwekerij. De verdachte had aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard diende te worden, onder meer wegens schending van de beginselen van een goede procesorde en inbreuken op zijn verdedigingsrechten. Het hof verwierp dit verweer met verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Uit het arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) volgt dat een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM nimmer op zichzelf tot niet-ontvankelijkheid van het OM kan leiden. Het hof benadrukte verder, in lijn met HR 13 september 2016, dat artikel 6 EVRM niet strekt tot bescherming van verdedigingsrechten zoals het ondervragingsrecht. Bij schendingen van verdedigingsrechten buiten het bereik van artikel 359a Sv is niet-ontvankelijkheid slechts aan de orde indien het recht op een eerlijk proces in de kern is aangetast. Dat geval deed zich hier niet voor. Ten aanzien van de ontnemingsmaatregel bepaalde het hof de vervangende hechtenis op 1080 dagen, gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel hield het hof rekening met aftrekbare kosten van € 30.178,43, bestaande uit afschrijvingskosten, kosten voor hennepstekken, variabele kosten en kosten voor knippers. Verder speelde de vraag in hoeverre medeverdachte [medebetrokkene 3] volwaardig deelde in de opbrengsten, en of meer dan de door de rechtbank in aanmerking genomen halve oogst in mindering gebracht diende te worden vanwege slechte oogsten. De uitspraak bevestigt bestaande rechtsnormen en bevat geen nieuwe jurisprudentiële ontwikkelingen, maar illustreert de praktische toepassing van ontnemingsrecht bij meerdere betrokkenen in drugszaken.