JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:888Middel38/100

Naheffingsaanslagen BTW eigenbouwer vernietigd in hoger beroep

ECLI:NL:GHDHA:2026:888, Gerechtshof Den Haag, 25-03-2026, BK-25/18 en BK-25/19

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 25 maart 2026Publicatie: 21 april 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BK-25/18 en BK-25/19
Belastingrecht
Verbintenissenrecht
Vastgoed
Bouw
Financiele Dienstverlening
Eigenbouwer
Verlegging
Renovatie
Btw Verleggingsregeling
Projectontwikkeling
Naheffingsaanslag

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Artikel 6:6 Awb bevat een discretionaire bevoegdheid om een beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Beroep terecht ontvankelijk verklaard. Artikel 24b UBOB. Eigenbouwer. De Inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de algehele leiding met betrekking tot de renovaties aan woningen bij belanghebbende berust. Artikel 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht. De Rechtbank heeft voldoende gemotiveerd waarom zij is afgeweken van de forfaitaire proceskostenvergoeding. Voor de bezwaarfase heeft de Rechtbank terecht een proceskostenvergoeding toegekend.

Kern van de zaak

Een projectontwikkelaar (belanghebbende) koopt verouderde woningen op, renoveert deze volledig en verkoopt ze weer. De Belastingdienst legde naheffingsaanslagen btw op omdat de onderaannemers de verleggingsregeling niet hadden toegepast, terwijl de inspecteur stelde dat belanghebbende als eigenbouwer kwalificeerde. De rechtbank vernietigde de naheffingsaanslagen; de inspecteur stelde hoger beroep in.

Beslissing van de rechter

De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard en de naheffingsaanslagen, rentebeschikkingen en boetebeschikking vernietigd; de inspecteur is in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof Den Haag. De doorslaggevende reden voor de vernietiging door de rechtbank was dat het eigenbouwerschap en de daarmee samenhangende verleggingsregeling ten onrechte aan belanghebbende werden tegengeworpen. De uitkomst van het hoger beroep is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar.

38van 100

Impactscore

Middel

De zaak betreft een feitelijk specifieke toepassing van de btw-verleggingsregeling voor eigenbouwers in de vastgoedsector; de rechtsvraag is relevant voor projectontwikkelaars maar heeft beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare feitelijke situaties. De tekst is onvolledig waardoor de uiteindelijke uitkomst in hoger beroep onzeker is.

Belangrijkste punten

  • 1Belanghebbende koopt gedateerde woningen op, renoveert deze volledig met behulp van onderaannemers en verkoopt ze op de woningmarkt – soms projectmatig met bouwkundige splitsing in appartementen.
  • 2De Belastingdienst kwalificeerde belanghebbende als eigenbouwer in de zin van de btw-verleggingsregeling, waardoor onderaannemers de btw hadden moeten verleggen naar belanghebbende.
  • 3De rechtbank vernietigde de naheffingsaanslagen, rentebeschikkingen en boetebeschikking volledig en kende immateriële schadevergoeding toe (€ 3.500 van de inspecteur, € 500 van de Staat).
  • 4De inspecteur heeft hoger beroep ingesteld; de uitkomst van de hogerberoepsprocedure bij het Gerechtshof Den Haag is op basis van de beschikbare tekst onzeker.
  • 5De verleggingsregeling bij werken van stoffelijke aard (verbouw/renovatie van onroerende zaken) staat centraal in de btw-kwalificatie van de bedrijfsactiviteiten.

Impactanalyse

Juridische impact

De zaak verduidelijkt de grenzen van het eigenbouwersbegrip in de btw-verleggingsregeling bij projectmatige renovatie van onroerende zaken door een vennootschap die zelf geen bouwkundige werkzaamheden verricht maar uitsluitend onderaannemers inhuurt. De uitkomst in hoger beroep is op basis van de beschikbare tekst nog niet vastgesteld.

Praktische impact

Projectontwikkelaars die renovatieprojecten uitbesteden aan onderaannemers dienen zorgvuldig te beoordelen of zij als eigenbouwer kwalificeren, omdat dit directe gevolgen heeft voor de btw-verplichtingen van henzelf en hun onderaannemers. Een onjuiste kwalificatie kan leiden tot naheffingen, rente en boetes.

Onderwerp-impact

Voor de vastgoedsector biedt deze procedure inzicht in de toepassing van de btw-verleggingsregeling bij renovatie en herontwikkeling van woningen, met name bij projectmatige aanpak waarbij de opdrachtgever als eigenbouwer wordt aangemerkt.

Samenvatting

Deze zaak betreft een geschil tussen een projectontwikkelende vennootschap (belanghebbende) en de Belastingdienst over de toepassing van de btw-verleggingsregeling. Belanghebbende koopt verouderde woningen op, laat deze volledig renoveren of bouwkundig splitsen in appartementen via ingehuurde onderaannemers, en verkoopt de objecten vervolgens op de woningmarkt. In een aantal gevallen werd al voor aanvang van de verbouwing een koper gevonden en werd de verbouwing in overleg met die koper uitgevoerd op basis van een bouwbestek. De Belastingdienst stelde dat belanghebbende als eigenbouwer kwalificeerde in de zin van de verleggingsregeling, omdat haar activiteiten kunnen worden aangemerkt als het tot stand brengen van werken van stoffelijke aard. Als eigenbouwer hadden de ingehuurde onderaannemers de btw moeten verleggen naar belanghebbende. Omdat dit niet was gebeurd, legde de inspecteur naheffingsaanslagen btw op, vergezeld van rentebeschikkingen en een boetebeschikking. De rechtbank verklaarde de beroepen van belanghebbende gegrond en vernietigde alle naheffingsaanslagen, rentebeschikkingen en de boetebeschikking. Daarnaast veroordeelde de rechtbank de inspecteur tot betaling van €3.500 aan immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, de Staat tot €500, en de inspecteur tot vergoeding van proceskosten (€2.998) en griffierecht (€365). De inspecteur heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag. Op basis van de beschikbare tekst is de uitkomst van de hogerberoepsprocedure niet volledig kenbaar; de beschikbare overwegingen bevatten voornamelijk de feiten en de beslissing van de rechtbank. De zaak is juridisch relevant voor projectontwikkelaars die renovatieactiviteiten uitbesteden en dienen te beoordelen of zij onder de eigenbouwersdefinitie vallen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 19 mei 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1234Laag
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1234, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/00131

Hoge Raad10 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
12/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1261Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1261, Hoge Raad, 10-07-2026, 24/03361

Hoge Raad10 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1245Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1245, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/00155

Hoge Raad10 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1016Hoog
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1016, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/00129

Hoge Raad10 jul 2026Financiele DienstverleningOverheid
58/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied