JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:506Laag28/100

Man krijgt vordering op vrouw na aflossen haar rekening-courantschuld

ECLI:NL:GHDHA:2026:506, Gerechtshof Den Haag, 31-03-2026, 200.349.201/01

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 31 maart 2026Publicatie: 1 april 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:200.349.201/01
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Arbeidsrelaties
Financiele Dienstverlening
Verjaring
Stuiting
Rekening Courant
Echtscheiding
Huwelijkse Voorwaarden

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

De man heeft een vergoedingsvordering van € 567.826,- te vermeerderen met wettelijke rente. De man heeft een rekening-courantschuld van de vrouw bij haar BV afgelost. Leerstuk van de verjaring en de stuitingsbrief.

Kern van de zaak

Na echtscheiding claimt de man dat hij uit privévermogen de rekening-courantschuld van de vrouw bij een B.V. heeft afgelost (circa € 567.826 – € 590.076) en daardoor een vordering op haar heeft gekregen. De vrouw stelt dat de man zijn eigen schuld afloste en beroept zich tevens op verjaring van de vordering.

Beslissing van de rechter

Het hof oordeelt dat uitsluitend de vrouw een rekening-courantschuld had bij de B.V. en dat de man deze vanuit privévermogen heeft afgelost, waardoor een vordering op de vrouw is ontstaan in de zin van de huwelijkse voorwaarden. Het verjaringsverweer van de vrouw wordt verworpen omdat de man bij brief van 23 december 2016 de vordering tijdig en voldoende duidelijk heeft gestuit conform artikel 3:317 lid 1 BW.

28van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een casuïstische beslissing in hoger beroep over de vermogensafwikkeling tussen ex-echtgenoten; de rechtsvragen (stuiting, huwelijkse voorwaarden) zijn niet nieuw of richtinggevend.

Belangrijkste punten

  • 1Man lost rekening-courantschuld van de vrouw bij B.V. af vanuit privévermogen; dit levert een vordering op grond van de huwelijkse voorwaarden op.
  • 2Vrouw betwist dat het haar schuld betrof en stelt dat de man zijn eigen rekening-courantschuld afloste; hof verwerpt dit op basis van jaarrekening en accountantsverklaring.
  • 3Verjaringsverweer van de vrouw faalt: brief van 23 december 2016 voldoet aan de stuitingsvereisten van artikel 3:317 lid 1 BW.
  • 4Huwelijkse voorwaarden bepalen het juridische kader voor de kwalificatie van de betalingen als verhaalsvordering tussen ex-echtgenoten.
  • 5Bedrag van de vordering staat ter discussie (primair € 590.076, subsidiair € 567.826); het hof baseert zich op beschikbare financiële documentatie.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat stuiting van verjaring via een ondubbelzinnige schriftelijke mededeling conform artikel 3:317 lid 1 BW ook in de echtscheidingscontext volstaat, en dat huwelijkse voorwaarden de grondslag kunnen bieden voor vorderingen wegens door een echtgenoot betaalde schulden van de ander.

Praktische impact

De vrouw is gehouden de door de man betaalde rekening-courantschuld (vermeerderd met rente) terug te betalen; dit kan een aanzienlijke financiële last vormen in het kader van de vermogensafwikkeling na echtscheiding.

Onderwerp-impact

Bij echtscheidingen met huwelijkse voorwaarden en ondernemingsgerelateerde schulden is het cruciaal om tijdig en schriftelijk aanspraken te stuiten en te documenteren wie schuldenaar was bij verbonden vennootschappen.

Samenvatting

Dit arrest van het Gerechtshof Den Haag betreft een geschil tussen voormalige echtgenoten over de afwikkeling van hun huwelijkse vermogen. De centrale vraag is of de man, ten tijde van het huwelijk, vanuit zijn privévermogen de rekening-courantschuld van de vrouw bij een besloten vennootschap heeft afgelost, en of hij daardoor een terugvorderingsrecht op de vrouw heeft verkregen. De vrouw betwistte dit op twee gronden: zij stelde dat de man zijn eigen schuld bij de vennootschap had afgelost, en beriep zich subsidiair op verjaring van de beweerde vordering. Het hof verwerpt het verweer van de vrouw op beide punten. Uit de jaarrekening van de vennootschap noch uit andere financiële stukken blijkt dat de man een eigen rekening-courantverhouding had met de B.V. Een accountant bevestigt bovendien dat hem geen rekening-courantverhouding van de man met de vennootschap bekend is. Op grond hiervan stelt het hof vast dat de schuld uitsluitend op naam van de vrouw stond, en dat de betalingen die de man deed ter delging van die schuld kwalificeren als een vordering jegens de vrouw in de zin van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden. Het verjaringsverweer wordt eveneens afgewezen. De man heeft op 23 december 2016 een brief gestuurd aan de vrouw waarin hij zijn vordering van € 500.000 exclusief rente uitdrukkelijk onder haar aandacht bracht en zijn recht op nakoming voorbehield. Het hof oordeelt dat deze brief voldoet aan de stuitingsvereisten van artikel 3:317 lid 1 BW, zodat de verjaring tijdig is gestuit. De vordering van de man – primair begroot op € 590.076, subsidiair op € 567.826, te vermeerderen met rente – is daarmee in beginsel toewijsbaar. De uitspraak onderstreept het belang van tijdige en schriftelijke vastlegging van aanspraken bij vermogensafwikkeling na echtscheiding.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 23 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Personen- en familierecht

ECLI:NL:HR:2026:1280Laag
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht

ECLI:NL:HR:2026:1280, Hoge Raad, 17-07-2026, 25/04243

Hoge Raad17 jul 2026Arbeidsrelaties
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1278Hoog
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht

ECLI:NL:HR:2026:1278, Hoge Raad, 17-07-2026, 25/01295

Hoge Raad17 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
62/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1281Middel
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1281, Hoge Raad, 17-07-2026, 26/00083

Hoge Raad17 jul 2026OverheidDienstverlening
55/100Bekijk
ECLI:NL:GHAMS:2026:1933Laag
Civiel recht
Personen- en familierecht

ECLI:NL:GHAMS:2026:1933, Gerechtshof Amsterdam, 14-07-2026, 200.366.050/01 en 200.366.050/02

Gerechtshof Amsterdam14 jul 2026ArbeidsrelatiesZorg
22/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied