Hoge Raad: Iraanse khul-echtscheiding niet strijdig met openbare orde
ECLI:NL:HR:2026:1278, Hoge Raad, 17-07-2026, 25/01295
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Internationaal privaatrecht. Conflictenrecht. Personen- en familierecht. Relatievermogensrecht. Leidt toepassing van bepalingen van Iraans echtscheidingsrecht in samenhang met hetgeen partijen in hun huwelijksakte zijn overeengekomen over bruidsgave, tot resultaat dat kennelijk onverenigbaar is met openbare orde (art. 10:6 BW)?
Kern van de zaak
Een vrouw en man zijn gehuwd onder Iraans recht. Bij echtscheiding via de khul-procedure moet de vrouw compensatie betalen aan de man (door kwijtschelding van niet-betaalde bruidsgave). De vrouw vordert dat de man de munten (bruidsgave) aan haar betaalt en bestrijdt dat de compensatieverplichting in lijn is met de Nederlandse openbare orde.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad behandelt het middel dat zich richt tegen het oordeel van het hof dat de compensatieverplichting ex art. 1146 Iraans BW bij khul-echtscheiding niet kennelijk onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde (art. 10:6 BW). Op basis van de beschikbare tekst lijkt de Hoge Raad het oordeel van het hof te toetsen aan de prejudiciële uitspraak van 19 november 2021, waarbij de openbare-ordetoets centraal staat.
Impactscore
HoogDe Hoge Raad geeft in een zaak met internationaal-privaatrechtelijke dimensie nadere invulling aan de openbare-ordetoets bij islamitische echtscheidingsvormen; dit heeft directe betekenis voor een substantiële groep rechtzoekenden en rechterlijke instanties die met vergelijkbare kwesties worden geconfronteerd.
Belangrijkste punten
- 1De khul-echtscheiding naar Iraans recht houdt in dat de vrouw compensatie betaalt (door kwijtschelding van bruidsgave) om echtscheiding te verkrijgen.
- 2Art. 10:6 BW (openbare-ordetoets) is van toepassing wanneer Nederlands IPR buitenlands recht aanwijst, zowel voor geschreven als ongeschreven vreemd recht.
- 3De Hoge Raad verwijst naar zijn prejudiciële uitspraak van 19 november 2021 als kader voor de openbare-ordetoets bij familierechtelijke rechtsverhoudingen.
- 4Art. 10:32, 10:62 en 10:101 BW gelden als bijzondere openbare-orde-bepalingen ten opzichte van art. 10:6 BW binnen het stelsel van Boek 10 BW.
- 5De vordering van de vrouw om de man te veroordelen tot betaling van de munten (bruidsgave) wordt afgewezen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt hoe de openbare-ordetoets van art. 10:6 BW zich verhoudt tot de bijzondere IPR-bepalingen in Boek 10 BW bij de erkenning van buitenlandse familierechtelijke rechtsgevolgen, met name bij islamitische echtscheidingsvormen zoals de khul. Dit bouwt voort op en preciseert de prejudiciële lijn van november 2021.
Praktische impact
Vrouwen die in Nederland verblijven en onder Iraans recht zijn gehuwd, kunnen bij een khul-echtscheiding gehouden worden aan de compensatieverplichting jegens de man, ook als zij de bruidsgave daardoor kwijtschelden; de Nederlandse rechter zal dit niet zonder meer blokkeren via de openbare-ordetoets.
Onderwerp-impact
Voor personen- en familierechtzaken met een internationaal element, met name huwelijken gesloten onder islamitisch of Iraans recht, biedt deze uitspraak duidelijkheid over de grenzen van de Nederlandse openbare orde bij erkenning van buitenlandse echtscheidingsrechtsgevolgen.
Samenvatting
Deze zaak betreft een echtpaar dat gehuwd is onder Iraans recht. Bij het uiteengaan kiest de vrouw voor een zogenoemde khul-echtscheiding: een islamitisch-rechtelijke vorm waarbij de vrouw de echtscheiding kan initiëren door aan de man een compensatie te betalen, in dit geval door kwijtschelding van de bruidsgave die de man haar nog schuldig was. De vrouw vordert vervolgens dat de man de munten (de bruidsgave) alsnog aan haar betaalt, maar die vordering wordt afgewezen. De centrale juridische vraag is of de verplichting die de vrouw op grond van art. 1146 van het Iraanse Burgerlijk Wetboek op zich neemt — het betalen van compensatie aan de man als voorwaarde voor echtscheiding — in strijd is met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW. Het hof had geoordeeld dat dit niet het geval is, en het middel in cassatie richt zich tegen dat oordeel. De Hoge Raad toetst dit aan zijn eerdere prejudiciële uitspraak van 19 november 2021, waarin is uiteengezet dat art. 10:6 BW van toepassing is telkens wanneer het Nederlandse conflictenrecht buitenlands recht aanwijst — ongeacht of dat recht geschreven of ongeschreven is. Tevens is in die uitspraak verduidelijkt dat de bijzondere openbare-ordebepaling voor familierechtelijke betrekkingen (art. 10:101 jo. 10:100 BW) als lex specialis geldt ten opzichte van art. 10:6 BW, passend in het stelsel van Boek 10 BW. De uitkomst bevestigt dat de compensatieverplichting bij khul-echtscheiding niet zonder meer als kennelijk onverenigbaar met de Nederlandse openbare orde wordt aangemerkt. Dit heeft vergaande praktische gevolgen voor personen die in Nederland leven maar onder islamitisch of Iraans recht zijn gehuwd: de Nederlandse rechter zal de rechtsgevolgen van een khul-echtscheiding — inclusief de compensatieverplichting voor de vrouw — in beginsel erkennen.