Verdachte veroordeeld voor mishandeling, vrijgesproken van poging zwaar letsel
ECLI:NL:GHDHA:2026:360, Gerechtshof Den Haag, 24-02-2026, 22-001165-24
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Veroordeling subsidiair tenlastegelegde mishandeling na eerdere integrale vrijspraak in eerste aanleg. Oplegging schadevergoedingsmaatregel zonder voorliggende vordering benadeelde partij. Aanschaf camerasysteem bij de woning van het slachtoffer kan worden aangemerkt als rechtstreekse schade
Kern van de zaak
Een verdachte werd op 14 februari 2024 in Bleiswijk beschuldigd van poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (primair) en mishandeling (subsidiair) van een aangever. De aangever meldde vrijwel direct na het incident dat hij door de verdachte meerdere malen tegen het hoofd was geslagen nadat er was aangebeld bij zijn woning.
Beslissing van de rechter
Het hof spreekt de verdachte vrij van de primaire tenlastelegging (poging zwaar lichamelijk letsel) wegens onvoldoende bewijs voor aanmerkelijke kans op zwaar letsel en bijbehorend voorwaardelijk opzet. De subsidiaire tenlastelegging van mishandeling wordt wettig en overtuigend bewezen verklaard op basis van de directe aanwijzing door de aangever en diens verklaring de verdachte te kennen.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijke strafzaak op gerechtshofniveau met een relatief routineuze toepassing van bekende bewijsregels omtrent voorwaardelijk opzet; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en de impact reikt niet verder dan de betrokken partijen.
Belangrijkste punten
- 1Vrijspraak primaire tenlastelegging: onvoldoende bewijs voor aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel en voor voorwaardelijk opzet daarop
- 2Bewezenverklaring mishandeling (subsidiair): meerdere klappen tegen het hoofd van de aangever op 14 februari 2024
- 3Aangever herkende verdachte direct en noemde zijn volledige naam bij de politiemelding kort na het incident
- 4Verdachte ontkent betrokkenheid en stelt alibi (verblijf bij broertje), maar erkende eerder een 'akkefietje' uit het verleden met aangever
- 5Gooien met baksteen en plantenpot leverde onvoldoende bewijs op voor de wijze en kracht richting aangever
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de strikte bewijsvereisten voor voorwaardelijk opzet bij pogingsdelicten: louter aanknopingspunten dat er gegooid is, zonder vaststelling van wijze en kracht richting het slachtoffer, volstaat niet. Dit bevestigt bestaande rechtspraak over de grens tussen mishandeling en poging tot zware mishandeling.
Praktische impact
Voor de verdachte betekent de uitspraak een veroordeling wegens mishandeling in plaats van het zwaardere delict, wat doorgaans leidt tot een lagere straf. De aangever krijgt erkenning als slachtoffer van mishandeling, maar niet van het zwaarste feit.
Onderwerp-impact
In zaken waarbij sprake is van huiselijk geweld of confrontaties bij de woning, benadrukt deze uitspraak dat het gebruik van voorwerpen als baksteen of plantenpot niet automatisch leidt tot bewijs van opzet op zwaar lichamelijk letsel zonder nader bewijs over de gedragingen.
Samenvatting
Op 24 februari 2026 deed het Gerechtshof Den Haag uitspraak in een strafzaak tegen een verdachte die ervan werd beschuldigd op 14 februari 2024 in Bleiswijk een man te hebben mishandeld en daarbij mogelijk te hebben gepoogd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De aanleiding was een confrontatie bij de woning van de aangever: nadat er werd aangebeld, ontving de aangever meerdere slagen tegen zijn hoofd van een man die hij herkende als de verdachte. De aangever deed vrijwel onmiddellijk aangifte en noemde daarbij de volledige naam en het signalement van de verdachte. De verdachte ontkende iedere betrokkenheid en voerde een alibi aan, maar erkende in een later verhoor dat er in het verleden een 'akkefietje' was geweest tussen hem en de aangever. Het hof sprak de verdachte vrij van de primaire tenlastelegging, te weten poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hoewel het dossier aanknopingspunten bood dat er met een baksteen en plantenpot naar of in de hal van de woning was gegooid, kon niet worden vastgesteld op welke wijze en met welke kracht dit richting de aangever was gebeurd. Zonder deze vaststelling kon het hof niet concluderen dat sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, noch dat de verdachte deze kans bewust had aanvaard. Voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel was daarmee niet bewezen. De subsidiaire tenlastelegging van mishandeling – het meerdere malen slaan tegen het hoofd van de aangever – werd wel wettig en overtuigend bewezen verklaard. De directe en consistente verklaring van de aangever, zijn eerdere bekendheid met de verdachte en de onmiddellijke melding bij de politie droegen bij aan die bewezenverklaring. De verdachte wordt voor mishandeling veroordeeld.