JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:358Laag32/100

Verdachte veroordeeld voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel

ECLI:NL:GHDHA:2026:358, Gerechtshof Den Haag, 24-02-2026, 22-000610-25

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 24 februari 2026Publicatie: 10 maart 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:22-000610-25
Strafrecht
Materieel strafrecht
Strafprocesrecht
Aansprakelijkheid
Schadevergoeding
Lichamelijk Letsel
Gezicht
Herstel
Litteken
Strafrecht
Zwaar Lichamelijk Letsel
Mishandeling
Putatief Noodweer
Aangezicht

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Vrijspraak (poging) zware mishandeling door kopstoot te geven. Veroordeling voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge. Bewijsoverweging zwaar lichamelijk letsel. Beroep op putatief noodweer verworpen.

Kern van de zaak

Een verdachte stond terecht voor mishandeling waarbij het slachtoffer letsel opliep in het aangezicht, waaronder een blijvend litteken en hangend ooglid. De verdediging voerde putatief noodweer aan. De zaak kwam in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag.

Beslissing van de rechter

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak de verdachte vrij van de primaire en subsidiaire tenlastelegging, maar veroordeelde hem voor de meer subsidiaire variant: mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Doorslaggevend was de vaststelling dat het letsel – een blijvend litteken en hangend ooglid in het aangezicht, zonder uitzicht op volledig herstel – als zwaar lichamelijk letsel kwalificeert.

32van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past bestaande Hoge Raad-criteria toe zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden; het betreft een feitelijke toepassing van bekende maatstaven in een individuele strafzaak op hof-niveau.

Belangrijkste punten

  • 1Zwaar lichamelijk letsel wordt beoordeeld aan de hand van meerdere gezichtspunten: ernst, operatief ingrijpen, uitzicht op herstel en restschade zoals littekens.
  • 2Blijvend letsel in het aangezicht (hangend ooglid, litteken) zonder uitzicht op volledig herstel kwalificeert als zwaar lichamelijk letsel.
  • 3Het hof verwijst naar HR 20 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:66) en HR 6 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1067) voor de maatstaven bij zwaar lichamelijk letsel.
  • 4Het beroep op putatief noodweer werd door het hof kennelijk verworpen, nu de verdachte wel strafbaar werd verklaard.
  • 5Het hof sprak de verdachte vrij van de zwaarste tenlasteleggingen (primair en subsidiair) en veroordeelde hem slechts voor de meer subsidiaire variant.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak past de door de Hoge Raad geformuleerde gezichtspuntencatalogus toe bij de kwalificatie van zwaar lichamelijk letsel, waarbij locatie van het letsel (aangezicht) en restschade (litteken, hangend ooglid) zwaar meewegen. Dit bevestigt de toepassing van recente Hoge Raad-jurisprudentie uit 2021 en 2026.

Praktische impact

Voor de verdachte betekent de veroordeling voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel een strafbaar feit met een hoger strafmaximum dan eenvoudige mishandeling; de exacte straf is uit de beschikbare tekst niet volledig op te maken. Het slachtoffer wordt erkend als drager van zwaar lichamelijk letsel, wat relevant kan zijn voor eventuele civiele schadeclaims.

Onderwerp-impact

In zaken waarbij letsel in het gelaat resulteert in blijvende cosmetische en functionele gevolgen, bevestigt deze uitspraak dat dergelijk letsel al snel als 'zwaar' kwalificeert, ook wanneer medisch ingrijpen heeft plaatsgevonden maar herstel uitblijft.

Samenvatting

In deze strafzaak bij het Gerechtshof Den Haag stond een verdachte terecht voor mishandeling waarbij het slachtoffer ernstig letsel in het aangezicht opliep. In eerste aanleg was de verdachte veroordeeld, maar in hoger beroep vernietigde het hof dit vonnis. Het hof sprak de verdachte vrij van de primaire en subsidiaire tenlasteleggingen, maar achtte de meer subsidiaire variant – mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg – wel bewezen. De centrale juridische vraag was of het letsel van het slachtoffer als 'zwaar lichamelijk letsel' in de zin van het Wetboek van Strafrecht kon worden aangemerkt. Het hof hanteerde daarvoor de gezichtspuntencatalogus zoals ontwikkeld in de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarbij onder meer de ernst van het letsel, de noodzaak van medisch ingrijpen, het uitzicht op herstel en de aanwezigheid van restschade worden betrokken. Bijzondere aandacht ging uit naar de locatie van het letsel: het aangezicht. Het hof stelde vast dat het slachtoffer na medisch ingrijpen nog steeds leed aan blijvende gevolgen, waaronder een litteken en een hangend ooglid, en dat er geen uitzicht was op volledig herstel. Mede gelet op de locatie van de verwondingen in het gelaat – die het lichaam ontsiert en gepaard gaat met mogelijke functionele beperkingen – kwalificeerde het hof het letsel als zwaar lichamelijk letsel. Het beroep op putatief noodweer, dat door de verdediging werd gevoerd, werd verworpen, waarna de verdachte strafbaar werd verklaard. De exacte strafmaat is uit de beschikbare tekst niet volledig kenbaar, maar het hof heeft wel een veroordeling uitgesproken. De uitspraak illustreert de toepassing van recente Hoge Raad-arresten uit 2021 en 2026 op concrete feitelijke situaties.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 19 mei 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Strafrecht

ECLI:NL:HR:2026:762Laag
Strafrecht
Strafprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:762, Hoge Raad, 19-05-2026, 23/03823

Hoge Raad19 mei 2026Overheid
22/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:759Laag
Strafrecht
Mensenrechten

ECLI:NL:HR:2026:759, Hoge Raad, 19-05-2026, 24/00563

Hoge Raad19 mei 2026HandhavingSchadevergoeding
22/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:760Laag
Strafrecht
Strafprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:760, Hoge Raad, 19-05-2026, 24/00562

Hoge Raad19 mei 2026Overheid
8/100Bekijk
ECLI:NL:RBAMS:2026:4756Laag
Strafrecht
Materieel strafrecht

ECLI:NL:RBAMS:2026:4756, Rechtbank Amsterdam, 18-05-2026, 13/166895-25

Rechtbank Amsterdam18 mei 2026OverheidAansprakelijkheid
22/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied