Hof: Privacy First ontvankelijk in zaak over kentekenregistratie
ECLI:NL:GHDHA:2026:2898, Gerechtshof Den Haag, 29-09-2026, 200.347.782/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)ANPR (Automatic number plate recognition) in strijd met het recht op privacy uit EVRM en Handvest? Tussenarrest waarin de Staat wordt opgedragen nadere informatie te verstrekken.
Kern van de zaak
Privacy First, een belangenorganisatie voor privacyrechten, spant een collectieve actie aan tegen de Staat over artikel 126jj Sv, dat massale verzameling en opslag van kentekengegevens mogelijk maakt. Privacy First stelt dat deze wettelijke regeling en de uitvoeringspraktijk onrechtmatig zijn wegens schending van privacyrechten. De zaak is in hoger beroep gekomen na een tussenvonnis van de rechtbank.
Beslissing van de rechter
Het hof oordeelt (in dit tussenarrest) dat Privacy First ontvankelijk is als belangenorganisatie in de collectieve actie en verwerpt het verweer van de Staat dat de eiswijziging naar een verklaring voor recht het ideële karakter van de vordering zou opheffen. Doorslaggevend is dat Privacy First nadrukkelijk heeft verklaard dat de procedure geen opmaat is naar schadevergoeding, en dat de gevorderde verklaring voor recht het ideële karakter behoudt omdat zij de rechtmatigheid van een wettelijke regeling beoogt te toetsen.
Impactscore
MiddelHet tussenarrest beslist enkel over ontvankelijkheid en stelt geen fundamentele nieuwe rechtsregels; de inhoudelijke beoordeling van de (on)rechtmatigheid van artikel 126jj Sv – die potentieel hoog impact heeft – volgt nog. De ontvankelijkheidsbeslissing zelf heeft beperkte zelfstandige precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Het hof beoordeelt ambtshalve en ex nunc de ontvankelijkheid van Privacy First als belangenorganisatie ex artikel 3:305a BW.
- 2Privacy First voldoet aan de ontvankelijkheidseisen: zij behartigt krachtens haar statuten privacybelangen, de vorderingen beschermen gelijksoortige belangen en de actie heeft een ideëel doel.
- 3De eiswijziging naar een verklaring voor recht maakt het lichte regime van artikel 3:305a lid 6 BW niet ontoepasbaar, nu Privacy First de weg naar schadevergoeding voor zichzelf heeft afgesloten.
- 4De vordering strekt tot toetsing van de rechtmatigheid van artikel 126jj Sv en de daarop gebaseerde uitvoeringspraktijk (massale kentekenregistratie).
- 5De uitkomst van de inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van artikel 126jj Sv blijft in dit tussenarrest nog open.
Impactanalyse
Juridische impact
Het arrest verduidelijkt dat een eiswijziging naar een verklaring voor recht in een collectieve actie het ideële karakter niet automatisch aantast, mits de eisende partij schadevergoeding uitdrukkelijk uitsluit. Dit is relevant voor de toepassing van het lichte ontvankelijkheidsregime van artikel 3:305a lid 6 BW.
Praktische impact
Privacy First kan haar collectieve actie tegen de massale kentekenregistratie op grond van artikel 126jj Sv inhoudelijk laten beoordelen. De Staat behoudt vooralsnog de bevoegdheid kentekengegevens te verzamelen totdat een inhoudelijk oordeel volgt.
Onderwerp-impact
De zaak raakt direct aan grootschalige surveillance door de overheid via kentekenregistratie. Een eventueel inhoudelijk oordeel over de onverbindendheid van artikel 126jj Sv zou vergaande gevolgen hebben voor de opsporingspraktijk en de verwerking van verkeersgegevens.
Samenvatting
In deze zaak vordert Privacy First, een stichting die opkomt voor privacyrechten, in een collectieve actie dat de Staat de wettelijke regeling van artikel 126jj Sv onverbindend verklaart dan wel de toepassing ervan verbiedt. Artikel 126jj Sv maakt het mogelijk kentekengegevens van voertuigen op grote schaal automatisch te verzamelen en op te slaan voor opsporingsdoeleinden. Privacy First stelt dat deze regeling en de uitvoeringspraktijk een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op privacy vormen. In hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag staat in dit tussenarrest allereerst de ontvankelijkheid van Privacy First centraal. Het hof toetst ambtshalve en ex nunc of Privacy First voldoet aan de vereisten van artikel 3:305a BW. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat Privacy First ontvankelijk is: de organisatie behartigt krachtens haar statuten privacybelangen, de vorderingen beschermen gelijksoortige belangen van een brede groep, de actie heeft een ideëel doel en collectieve behandeling is efficiënter dan individuele procedures. De Staat betoogde dat de eiswijziging – van een verbod naar primair een verklaring voor recht – het ideële karakter van de actie zou wegnemen, omdat een verklaring voor recht de weg naar schadevergoeding opent en daarmee het lichte regime van artikel 3:305a lid 6 BW buiten toepassing zou stellen. Het hof verwerpt dit verweer. Privacy First heeft uitdrukkelijk verklaard dat de procedure geen opmaat is naar schadevergoeding, waardoor die mogelijkheid voor haar is afgesloten. De verklaring voor recht beoogt uitsluitend de rechtmatigheid van een wettelijke regeling te laten toetsen en behoudt daarmee haar ideële karakter. De enkele omstandigheid dat derden mogelijk profijt trekken van een gunstig oordeel, maakt dit niet anders. De inhoudelijke vraag – of artikel 126jj Sv al dan niet in strijd is met Europees en nationaal privacyrecht – is in dit tussenarrest nog niet beantwoord en staat in het vervolg van de procedure centraal.