Procesbelang bij WOZ-beschikking gebruiker opnieuw beoordeeld
ECLI:NL:GHDHA:2026:2802, Gerechtshof Den Haag, 01-09-2026, BK-25/778
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Artikel 17 Wet WOZ. Waarde sociale huurwoning. Geen procesbelang voor huurder.
Kern van de zaak
Een belanghebbende (vermoedelijk gebruiker van een woning) ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag tegen een WOZ-beschikking. De kernvraag was of zij voldoende procesbelang had om de vastgestelde WOZ-waarde aan te vechten, en zo ja, of die waarde te hoog was vastgesteld.
Beslissing van de rechter
Het hof beoordeelt eerst het procesbelang van belanghebbende op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 20 maart 2020 en HR 8 maart 2024). De uitspraak is bevestigd door de Rechtbank; de precieze einduitkomst is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar, maar het procesbelang vormt de doorslaggevende drempelkwestie.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande Hoge Raad-jurisprudentie toe zonder nieuwe rechtsregels te stellen; de tekst is bovendien onvolledig waardoor de precieze einduitkomst onzeker blijft.
Belangrijkste punten
- 1Hoofdregel: eenieder aan wie een WOZ-beschikking op naam is bekendgemaakt, heeft daarbij procesbelang (HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:467).
- 2HR 8 maart 2024 (ECLI:NL:HR:2024:238) formuleert een uitzondering op deze hoofdregel voor bepaalde categorieën belanghebbenden zoals gebruikers.
- 3Artikel 8:69a Awb (relativiteitsvereiste) is niet van toepassing omdat artikel 17 Wet WOZ strekt tot bescherming van alle betrokkenen ten aanzien van wie een beschikking is genomen.
- 4Het hof volgt de lijn dat de Rechtbank de uitspraak heeft bevestigd; de heffingsambtenaar concludeerde tot bevestiging.
- 5Partijen kunnen binnen zes weken cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de nuancering van HR 8 maart 2024 toe op het procesbelang van WOZ-gebruikers en verduidelijkt wanneer het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb al dan niet geldt in WOZ-procedures.
Praktische impact
Voor gebruikers van woningen die een WOZ-beschikking ontvangen is het van belang of zij procesbelang hebben; deze uitspraak bevestigt dat dit per geval moet worden beoordeeld aan de hand van de recente Hoge Raad-jurisprudentie.
Onderwerp-impact
In vastgoedgerelateerde belastingzaken (WOZ) schept deze uitspraak duidelijkheid over de toegang tot de rechter voor gebruikers, wat relevant is voor gemeenten, woninggebruikers en huurders.
Samenvatting
In deze belastingzaak bij het Gerechtshof Den Haag stond centraal of een belanghebbende — vermoedelijk een gebruiker van een woning — procesbelang had bij haar hoger beroep tegen een WOZ-beschikking, en of de vastgestelde WOZ-waarde te hoog was. De heffingsambtenaar had geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. Het hof zette uiteen dat de eerste te beantwoorden vraag het procesbelang betreft, als drempelkwestie vóór een inhoudelijke beoordeling van de WOZ-waarde. Daarbij verwees het hof naar twee richtinggevende arresten van de Hoge Raad. In het arrest van 20 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2020:467) oordeelde de Hoge Raad dat eenieder aan wie een WOZ-beschikking op naam is bekendgemaakt, daarbij procesbelang heeft. In het arrest van 8 maart 2024 (ECLI:NL:HR:2024:238) nuanceerde de Hoge Raad dit door een uitzondering te formuleren, maar bevestigde tegelijkertijd dat artikel 8:69a Awb (het relativiteitsvereiste) niet in de weg staat aan een beroep op artikel 17 Wet WOZ, omdat die bepaling strekt tot bescherming van de belangen van alle betrokkenen ten aanzien van wie een WOZ-beschikking is genomen. De beschikbare tekst van de uitspraak is onvolledig, waardoor de definitieve beslissing van het hof — waaronder de precieze beoordeling van het procesbelang en de WOZ-waarde — niet volledig kan worden vastgesteld. Wel is duidelijk dat het hof de jurisprudentielijn van de Hoge Raad over procesbelang in WOZ-zaken toepast en dat beroep in cassatie openstaat. De zaak is praktisch relevant voor gebruikers van onroerende zaken die een WOZ-beschikking ontvangen en de toegang tot de rechter willen beoordelen.