JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:2802Laag30/100

Procesbelang bij WOZ-beschikking gebruiker opnieuw beoordeeld

ECLI:NL:GHDHA:2026:2802, Gerechtshof Den Haag, 01-09-2026, BK-25/778

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 1 september 2026Publicatie: 7 september 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BK-25/778
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Vastgoed
Vergunningen
Woz Waarde
Procesbelang
Wet Woz
Relativiteitsvereiste
Gebruiker Woning

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Artikel 17 Wet WOZ. Waarde sociale huurwoning. Geen procesbelang voor huurder.

Kern van de zaak

Een belanghebbende (vermoedelijk gebruiker van een woning) ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag tegen een WOZ-beschikking. De kernvraag was of zij voldoende procesbelang had om de vastgestelde WOZ-waarde aan te vechten, en zo ja, of die waarde te hoog was vastgesteld.

Beslissing van de rechter

Het hof beoordeelt eerst het procesbelang van belanghebbende op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 20 maart 2020 en HR 8 maart 2024). De uitspraak is bevestigd door de Rechtbank; de precieze einduitkomst is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar, maar het procesbelang vormt de doorslaggevende drempelkwestie.

30van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past bestaande Hoge Raad-jurisprudentie toe zonder nieuwe rechtsregels te stellen; de tekst is bovendien onvolledig waardoor de precieze einduitkomst onzeker blijft.

Belangrijkste punten

  • 1Hoofdregel: eenieder aan wie een WOZ-beschikking op naam is bekendgemaakt, heeft daarbij procesbelang (HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:467).
  • 2HR 8 maart 2024 (ECLI:NL:HR:2024:238) formuleert een uitzondering op deze hoofdregel voor bepaalde categorieën belanghebbenden zoals gebruikers.
  • 3Artikel 8:69a Awb (relativiteitsvereiste) is niet van toepassing omdat artikel 17 Wet WOZ strekt tot bescherming van alle betrokkenen ten aanzien van wie een beschikking is genomen.
  • 4Het hof volgt de lijn dat de Rechtbank de uitspraak heeft bevestigd; de heffingsambtenaar concludeerde tot bevestiging.
  • 5Partijen kunnen binnen zes weken cassatie instellen bij de Hoge Raad.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak past de nuancering van HR 8 maart 2024 toe op het procesbelang van WOZ-gebruikers en verduidelijkt wanneer het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb al dan niet geldt in WOZ-procedures.

Praktische impact

Voor gebruikers van woningen die een WOZ-beschikking ontvangen is het van belang of zij procesbelang hebben; deze uitspraak bevestigt dat dit per geval moet worden beoordeeld aan de hand van de recente Hoge Raad-jurisprudentie.

Onderwerp-impact

In vastgoedgerelateerde belastingzaken (WOZ) schept deze uitspraak duidelijkheid over de toegang tot de rechter voor gebruikers, wat relevant is voor gemeenten, woninggebruikers en huurders.

Samenvatting

In deze belastingzaak bij het Gerechtshof Den Haag stond centraal of een belanghebbende — vermoedelijk een gebruiker van een woning — procesbelang had bij haar hoger beroep tegen een WOZ-beschikking, en of de vastgestelde WOZ-waarde te hoog was. De heffingsambtenaar had geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. Het hof zette uiteen dat de eerste te beantwoorden vraag het procesbelang betreft, als drempelkwestie vóór een inhoudelijke beoordeling van de WOZ-waarde. Daarbij verwees het hof naar twee richtinggevende arresten van de Hoge Raad. In het arrest van 20 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2020:467) oordeelde de Hoge Raad dat eenieder aan wie een WOZ-beschikking op naam is bekendgemaakt, daarbij procesbelang heeft. In het arrest van 8 maart 2024 (ECLI:NL:HR:2024:238) nuanceerde de Hoge Raad dit door een uitzondering te formuleren, maar bevestigde tegelijkertijd dat artikel 8:69a Awb (het relativiteitsvereiste) niet in de weg staat aan een beroep op artikel 17 Wet WOZ, omdat die bepaling strekt tot bescherming van de belangen van alle betrokkenen ten aanzien van wie een WOZ-beschikking is genomen. De beschikbare tekst van de uitspraak is onvolledig, waardoor de definitieve beslissing van het hof — waaronder de precieze beoordeling van het procesbelang en de WOZ-waarde — niet volledig kan worden vastgesteld. Wel is duidelijk dat het hof de jurisprudentielijn van de Hoge Raad over procesbelang in WOZ-zaken toepast en dat beroep in cassatie openstaat. De zaak is praktisch relevant voor gebruikers van onroerende zaken die een WOZ-beschikking ontvangen en de toegang tot de rechter willen beoordelen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 22 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1511

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbrekende gronden

28/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1519

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

8/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1485

Hoge Raad verklaart cassatie ongegrond, termijnoverschrijding geconstateerd

18/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1525

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

8/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied