Hof heropent onderzoek naar zakelijke verrekenprijzen concernleningen
ECLI:NL:GHDHA:2026:2462, Gerechtshof Den Haag, 05-08-2026, BK-23/836, BK-23/837, BK-23/838, BK-23/839, BK-23/840, BK-23/845, BK-23/846, BK-23/847, BK-23/848 en BK-23/849
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Artikel 8b Wet Vpb. Transfer pricing. Kredietfaciliteiten met ‘headroom’. Variabele rente over verstrekte bedragen en ‘commitment fees’ over totaalbedragen faciliteiten. Bij de toetsing van de vergoedingen aan het ‘at arm’s length-beginsel’ mag de totale-kostenbenadering worden gehanteerd, waarbij het Hof uitgaat van een ex-ante-invulling van de totale-kostenbenadering aan de hand van forward rates. Het Hof heeft in de tussenuitspraak het onderzoek heropend en de Inspecteur in de gelegenheid gesteld het door hem aangeboden bewijs in te brengen waaruit volgt wat at arm’s length (totale) vergoedingen ter zake van faciliteiten 1, 3, 3a, 5 en 7bn zouden bedragen in de onderhavige jaren indien de credit ratings van belanghebbende (voor faciliteit 3a: na correctie) worden gevolgd. Na heropening geeft het Hof een toetsingskader voor de selectie, correctie en eliminatie van door partijen na de tussenuitspraak aangedragen (nieuwe) comparables. Wat betreft faciliteiten 1, 3a, 5 en 7bn slaagt de Inspecteur voor een belangrijk deel in de op hem rustende bewijslast. Hoewel voor deze faciliteiten de zakelijke opslagen op een hoger percentage uitkomen dan waarvan de Inspecteur uitgaat, liggen deze telkens (ruimschoots) lager dan de door het Hof in het kader van de ex-ante-invulling van de totale-kostenbenadering herrekende kostenopslagen. In zoverre heeft de Inspecteur aan zijn bewijslast voldaan de omvang van de door hem bepleite correcties aannemelijk te maken. Het Hof acht aannemelijk dat voor ieder van de onderhavige jaren de volgens de aangiften verschuldigde belasting als gevolg van de geaccepteerde correcties verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en dat deze verschillen ook op zichzelf bezien voor ieder jaar zeer aanzienlijk zijn. Tevens is voldaan aan het bewustheidsvereiste. De verrekenprijsdocumentatie (benchmarkanalyse) van belanghebbende vertoonde belangrijke gebreken, die maken dat zij onvoldoende grond bood om ervan uit te gaan dat de rekening gebrachte kosten zakelijk waren. Daar komt nog bij dat niet aannemelijk is dat kredietwaardigheidsanalyses beschikbaar waren op de momenten dat zij aangiften deed. Belanghebbende heeft gelet op het voorgaande op zijn minst lichtvaardig aangifte aangedaan en had zich van de onzakelijkheid van de door haar gehanteerde verrekenprijzen bewust moeten zijn. Het Hof merkt de primaire en subsidiaire standpunten van de Inspecteur niet aan als een redelijke schatting, omdat zij aansluiten bij de credit rating van de tophoudster, terwijl hij ook beschikte over de credit ratings van de schuldenaar. De thans (na de tussenuitspraak) voorgestelde correcties voldoen wel aan de eisen van een redelijke schatting. Belanghebbende slaagt gedeeltelijk in de op haar rustende verzwaarde bewijslast, in de zin dat de correcties voor faciliteit 3 komen te vervallen en die voor faciliteit 7bn verder worden beperkt. De Inspecteur beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. De correcties die volgens het oordeel van het Hof standhouden berusten telkens op comparables die de Inspecteur pas in hoger beroep bekend zijn geworden en hij kon daar redelijkerwijs niet eerder mee bekend zijn. Verder oordeelt het Hof dat geen sprake is van een situatie waarin de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan door primitieve aanslagen op te leggen zonder de uitkomsten af te wachten van een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangifte. Belanghebbende heeft na de tussenuitspraak wel terecht betoogd dat aan haar te veel belastingrente in rekening is gebracht. De rentebeschikkingen dienen te worden verminderd voor zover vanaf 1 april 2014 een belastingrentepercentage van 8 (of hoger) is toegepast. De over deze periode verschuldigde belastingrente moet worden berekend naar een tarief van 4%, het in de vorenbedoelde periode voor andere belastingplichtigen dan vennootschapsbelastingplichtigen geldende belastingrentepercentage zoals neergelegd in artikel 30hb, lid 1, AWR. Om die reden is het hoger beroep van belanghebbende gegrond. Gelet op al het voorgaande is voorts het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep gegrond, en het voorwaardelijke incidentele hoger beroep van belanghebbende ongegrond.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (vermoedelijk een multinationale onderneming) is in geschil met de Belastingdienst over de verrekenprijzen (transfer pricing) voor intragroepsleningen en financiële faciliteiten. De inspecteur stelt dat de gehanteerde rentevergoedingen niet at arm's length zijn. Het gerechtshof doet tussenuitspraak en heropent het onderzoek.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Den Haag heeft in een tussenuitspraak (na heropening van onderzoek) voorshands aannemelijk geacht dat de door belanghebbende vastgestelde vergoedingen voor diverse concernfaciliteiten niet at arm's length zijn. Het hof stelt de inspecteur in de gelegenheid aanvullend bewijs te leveren over wat zakelijke rentes zouden zijn geweest, waarbij als uitgangspunt de door belanghebbende bepaalde credit ratings gelden (behoudens voor faciliteit 3a).
Impactscore
MiddelHet betreft een tussenuitspraak van een gerechtshof in een complexe transfer pricing-zaak met meerdere faciliteiten en jaren; de zaak is feitelijk van aard en stelt geen nieuwe rechtsnorm, maar is relevant voor de praktijk rondom bewijslastverdeling bij intragroepsfinancieringen.
Belangrijkste punten
- 1De gehanteerde verrekenprijsmethodiek wordt in beginsel aanvaard, maar de onderbouwing van de rentetarieven kent belangrijke gebreken.
- 2Het beroep op het vertrouwensbeginsel door belanghebbende slaagt niet.
- 3Het aangaan van de financiële faciliteiten levert geen wetsontduiking op.
- 4Interne compensatie is slechts nog aan de orde voor faciliteit 3a en de A-lening; voor de A-lening volgt het hof de inspecteur.
- 5Het hof heropent het onderzoek en geeft de inspecteur gerichte aanwijzingen om cijfermatig te onderbouwen wat at arm's length vergoedingen zouden zijn per faciliteit en per jaar.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de bewijslastverdeling in transfer pricing-procedures: indien de belastingplichtige's documentatie belangrijke gebreken vertoont, wordt voorshands aannemelijk geacht dat vergoedingen niet at arm's length zijn en krijgt de inspecteur ruimte aanvullend bewijs te leveren. De credit ratings van de belastingplichtige gelden als uitgangspunt bij de verdere beoordeling.
Praktische impact
Voor de belastingplichtige betekent dit dat de correcties ter zake van diverse intragroepsleningen en faciliteiten dreigen te worden gehandhaafd of verhoogd, afhankelijk van het door de inspecteur nog in te brengen bewijs. De belastingplichtige dient zich voor te bereiden op een nadere ronde van schriftelijk debat over de hoogte van zakelijke rentes.
Onderwerp-impact
In de financiële dienstverlening en bij multinationale concerns vergroot deze uitspraak de druk om transfer pricing-documentatie voor intragroepsfinancieringen op orde te hebben en credit ratings zorgvuldig en consistent te onderbouwen.
Samenvatting
In deze omvangrijke belastingprocedure voor het Gerechtshof Den Haag staat de vraag centraal of de rentevergoedingen die een belastingplichtige (vermoedelijk een multinationale onderneming) heeft gehanteerd voor diverse intragroepsleningen en financiële faciliteiten voldoen aan het arm's length-beginsel. De inspecteur heeft correcties aangebracht op de verrekenprijzen en de zaak betreft meerdere faciliteiten (waaronder faciliteiten 1, 3, 3a, 5 en 7bn) over meerdere jaren. Het hof deed eerder een tussenuitspraak waarin verschillende voorvragen werden beantwoord. Daarin oordeelde het hof dat de gehanteerde verrekenprijsmethodiek in beginsel mag worden toegepast, dat het aangaan van de faciliteiten geen wetsontduiking oplevert, en dat het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Voor de beoordeling van de verrekenprijscorrecties wordt – behoudens voor faciliteit 3a – uitgegaan van de door belanghebbende zelf vastgestelde credit ratings van de betrokken groepsvennootschap. Het hof achtte voorshands aannemelijk dat de door belanghebbende vastgestelde vergoedingen niet at arm's length zijn, omdat de onderbouwing ervan belangrijke gebreken vertoont en de all-in rates die belanghebbende afleidt lager zijn dan de herrekende opslagen die het hof heeft vastgesteld. Om de inspecteur in staat te stellen zijn bewijsaanbod gestand te doen, heeft het hof het onderzoek heropend. De inspecteur krijgt de gelegenheid om per faciliteit en per jaar cijfermatig te onderbouwen welke at arm's length vergoedingen hadden moeten gelden, uitgaande van de credit ratings van belanghebbende. Ten aanzien van de A-lening en interne compensatie volgt het hof de inspecteur in de door hem bepleite correcties. De einduitspraak volgt na de nadere bewijsronde.