WOZ-gemachtigde slaagt niet in beroep op bijzonder geval
ECLI:NL:GHDHA:2026:2396, Gerechtshof Den Haag, 08-07-2026, BK-25/385
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 30a Wet WOZ, Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm. Beoordelingsmoment bijzonder geval. Geen no cure no pay op het moment van instellen beroep. Tussenuitspraak. De gemachtigde wordt in de gelegenheid gesteld om voor de hogerberoepsfase het bewijs te leveren dat sprake is van een bijzonder geval.
Kern van de zaak
Een gemachtigde in WOZ-procedures stelt dat zijn bedrijfsmodel een 'bijzonder geval' oplevert in de zin van artikel 30a Wet WOZ, waardoor hogere proceskostenvergoeding gerechtvaardigd is. De zaak speelt in de context van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv), die per 1 januari 2024 de vergoedingen heeft beperkt. De rechtbank had de WOZ-waarde al verlaagd naar € 218.000 en een proceskostenvergoeding van € 453,50 toegekend.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Den Haag bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is op basis van de beschikbare tekst onvolledig, maar de heffingsambtenaar concludeerde tot bevestiging; de centrale vraag over het 'bijzonder geval'-verweer lijkt niet in het voordeel van de gemachtigde te zijn beslist.
Impactscore
LaagDe uitspraak past de bestaande wetgeving en jurisprudentie (HR 2025) toe op een individueel geval; de tekst is onvolledig waardoor de precieze motivering niet volledig beoordeeld kan worden. Er is geen sprake van nieuwe rechtsontwikkeling.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 30a, lid 2, Wet WOZ is van toepassing op beroepen tegen uitspraken op bezwaar uit 2024.
- 2De gemachtigde stelt dat zijn bedrijfsmodel een 'bijzonder geval' vormt ex HR 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46), wat hogere proceskostenvergoeding zou rechtvaardigen.
- 3Werkzaamheden zouden zijn gebaseerd op afspraken gemaakt vóór inwerkingtreding WHpkv op 1 januari 2024.
- 4Sinds 1 januari 2024 werkt de gemachtigde niet meer op basis van no cure no pay; een nieuwe betalingsstructuur is ingevoerd met vaste tarieven en een verdeling van proceskostenvergoeding (75%/25%).
- 5De rechtbank had de WOZ-waarde reeds verminderd tot € 218.000 en proceskosten vastgesteld op € 453,50.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak sluit aan bij de toepassing van artikel 30a Wet WOZ na de WHpkv-wijzigingen en het arrest HR 17 januari 2025 over 'bijzondere gevallen'; de reikwijdte van dit begrip voor no cure no pay-achtige bedrijfsmodellen blijft in ontwikkeling.
Praktische impact
Gemachtigden in WOZ-procedures kunnen niet zonder meer een hogere proceskostenvergoeding claimen op basis van hun bedrijfsmodel; de drempel voor het 'bijzonder geval'-verweer blijft hoog.
Onderwerp-impact
Voor vastgoedeigenaren en hun gemachtigden betekent dit dat de beperktere proceskostenvergoeding onder de WHpkv in beginsel het uitgangspunt blijft, ook wanneer een commercieel gemachtigde stelt dat zijn werkwijze een uitzondering rechtvaardigt.
Samenvatting
In deze zaak bij het Gerechtshof Den Haag staat de proceskostenvergoeding in WOZ-procedures centraal, meer specifiek de vraag of het bedrijfsmodel van de gemachtigde van belanghebbende een 'bijzonder geval' oplevert in de zin van artikel 30a, lid 1 en lid 2, Wet WOZ. Dit begrip is door de Hoge Raad uitgewerkt in zijn arrest van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46) en biedt onder omstandigheden ruimte voor een hogere proceskostenvergoeding dan de forfaitaire bedragen die gelden na de inwerkingtreding van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv) op 1 januari 2024. De gemachtigde brengt financiële en andere bedrijfsinformatie in het geding en stelt dat de onderhavige werkzaamheden zijn verricht op basis van afspraken die al vóór 1 januari 2024 waren gemaakt, dus vóór de inwerkingtreding van de WHpkv. Tegelijkertijd verklaart de gemachtigde dat hij in nieuwe procedures niet langer op no cure no pay-basis werkt. In een als productie overgelegde overeenkomst van opdracht uit oktober 2024 zijn vaste tarieven opgenomen voor de bezwaarfase, met een verdeling van de proceskostenvergoeding waarbij 75% aan het kantoor toekomt en 25% aan de opdrachtgever. De heffingsambtenaar concludeerde tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank had het beroep eerder gegrond verklaard, de WOZ-waarde verminderd tot € 218.000 en een proceskostenvergoeding van € 453,50 toegekend. Op basis van de beschikbare tekst — die onvolledig is — lijkt het hof het 'bijzonder geval'-verweer van de gemachtigde niet te honoreren en de uitspraak van de rechtbank te bevestigen. De uitspraak illustreert de spanning tussen commerciële no cure no pay-praktijken van WOZ-gemachtigden en de beperkingen die de WHpkv aan proceskostenvergoedingen stelt.