Erfgenaam verliest aandeel na pinopnames van erflaatsters rekening
ECLI:NL:GHDHA:2026:2350, Gerechtshof Den Haag, 21-04-2026, 200.334.880/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Erfrecht. Rekening en verantwoording. Procedure tussen twee erfgenamen, de dochter en de zoon van erflaatster. Beneficiaire aanvaarding door de dochter? Is de dochter verplicht tot het doen van rekening en verantwoording voor betalingen en pinopnames met de gemachtigdenpas en overboekingen naar haar eigen rekening ten laste van de rekening van erflaatster in de periode vóór en kor na haar overlijden. Omstandigheden van het geval. Tussen erflaatster en de dochter was sprake van een vertrouwens- en familierelatie waarbij de dochter de mantelzorgster van erflaatster was.
Kern van de zaak
Na het overlijden van erflaatster heeft appellante (mede-erfgenaam) jarenlang grote bedragen gepind en overgeboekt van de bankrekening van erflaatster. Geïntimeerde (andere erfgenaam) vordert terugbetaling van ruim €107.000 aan de nalatenschap en verbeurdverklaring van het erfdeel van appellante. Appellante stelt dat zij in opdracht van erflaatster handelde en hooguit kleine giften heeft ontvangen.
Beslissing van de rechter
Het hof behandelt hoger beroep tegen een vonnis waarbij appellante is veroordeeld wegens onverschuldigde betaling en het ontvangen van giften ten laste van de nalatenschap; de rechtbank oordeelde dat pinopnames van €62.970 als giften moeten worden aangemerkt en dat appellante €107.197,96 aan de nalatenschap verschuldigd is. De uitspraak betreft een tussenstadium waarbij het hof de vastgestelde feiten als uitgangspunt neemt en de grieven van appellante beoordeelt, waaronder de vraag of zij zuiver dan wel beneficiair de nalatenschap heeft aanvaard.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk zwaar geladen familiezaak over een individuele nalatenschap zonder brede precedentwerking; de rechtsvragen zijn niet nieuw maar de uitkomst is sterk casuïstisch bepaald.
Belangrijkste punten
- 1Appellante betwist zuivere aanvaarding van de nalatenschap en stelt beneficiair te hebben aanvaard dan wel te hebben verworpen
- 2Pinopnames van in totaal circa €62.070-€62.970 werden door de rechtbank als giften aangemerkt; appellante stelt dit in opdracht van erflaatster te hebben gedaan en afgedragen
- 3Overboeking van €2.006,15 na overlijden erflaatster wordt door appellante gerechtvaardigd als betaling van nalatenschapsschulden
- 4Geïntimeerde vordert verbeurdverklaring van het erfdeel van appellante wegens gedragingen ten nadele van de nalatenschap
- 5De omvang van de gestelde giften/onttrekkingen is in geschil: rechtbank gaat uit van €84.269,35, appellante erkent hooguit €10.000 aan kleine giften
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak verduidelijkt de toepassing van regels omtrent giften, onverschuldigde betaling en verbeurdverklaring van erfdelen in nalatenschapskwesties, alsmede de bewijslastverdeling bij betwiste volmachthandelingen ten laste van een nalatenschap. De beoordeling van de aanvaardingsvorm (zuiver versus beneficiair) is relevant voor de aansprakelijkheid van erfgenamen.
Praktische impact
Voor appellante staat haar gehele erfdeel op het spel: naast terugbetaling van ruim €107.000 dreigt zij haar aandeel in de nalatenschap te verliezen. Voor mede-erfgenamen en nalatenschapsbeheerders onderstreept de zaak het belang van transparante verantwoording bij gebruik van een gemachtigdenpas van een erflater.
Onderwerp-impact
In nalatenschapspraktijk benadrukt deze zaak de risico's van ondoorzichtige financiële handelingen door gemachtigden van erflaters, en het belang van adequate vastlegging van opdrachten en bestedingen ten behoeve van de nalatenschap.
Samenvatting
Deze zaak bij het Gerechtshof Den Haag betreft een erfrechtelijk geschil tussen twee erfgenamen over de nalatenschap van een erflaatster. Appellante had gedurende haar leven als gemachtigde toegang tot de bankrekening van erflaatster en heeft in die hoedanigheid aanzienlijke bedragen gepind en overgeboekt. Na het overlijden van erflaatster heeft zij bovendien een bedrag van €2.006,15 van de rekening naar zichzelf overgeboekt. Geïntimeerde, de andere erfgenaam, stelt dat appellante in totaal ruim €107.000 aan de nalatenschap verschuldigd is en vordert verbeurdverklaring van haar erfdeel alsmede vernietiging van de gedane giften. De rechtbank oordeelde in eerste aanleg dat de pinopnames van circa €62.970 als giften van erflaatster aan appellante moeten worden aangemerkt en dat appellante de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. Appellante gaat in hoger beroep en betwist beide oordelen: zij stelt dat zij de bedragen in opdracht van erflaatster heeft opgenomen en teruggestort, dat de bevoordelingsbedoeling voor een gift bij erflaatster ontbrak, en dat zij hooguit circa €10.000 aan kleinere giften (zoals benzinekosten) heeft ontvangen. Daarnaast voert zij aan dat zij de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard of zou moeten worden geacht deze te hebben verworpen, hetgeen haar aansprakelijkheid zou beperken. Het hof gaat in zijn beoordeling uit van de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank, tenzij daartegen met succes een grief is gericht. Een eerder bezwaar van appellante over de omvang van de memorie van grieven van geïntimeerde is ingetrokken. De centrale juridische vragen zijn: de kwalificatie van de geldopnames als giften, de bewijslast bij betwiste volmachtuitvoering, en de aanvaardingsvorm van de nalatenschap. De uitkomst van het hoger beroep is uit de beschikbare tekst niet volledig af te leiden, maar de inzet is aanzienlijk: naast een schuld van ruim €107.000 staat het volledige erfdeel van appellante op het spel.