Hof bevestigt BPM-naheffing bij afwijkende CO2-uitstoot ingevoerd voertuig
ECLI:NL:GHDHA:2026:2288, Gerechtshof Den Haag, 30-06-2026, BK-25/490
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Naheffingsaanslag bpm. Gebreken taxatierapport belanghebbende. Hoger percentage schade-aftrek niet aannemelijk gemaakt. Aanpassing historische nieuwprijs. De Inspecteur maakt niet aannemelijk dat van een hogere handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan. Geen vergoeding van immateriële schade.
Kern van de zaak
Een importeur/belastingplichtige heeft een auto ingevoerd en BPM-aangifte gedaan op basis van een koerslijstwaarde met een afwijkende CO2-uitstoot ten opzichte van het referentievoertuig. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd. Belanghebbende betwist de vastgestelde handelsinkoopwaarde en de gehanteerde afschrijvingsmethode, en vordert ook vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag BPM is bevestigd; de beschikking belastingrente wordt vernietigd. De doorslaggevende reden is dat de ingevoerde auto op meerdere punten afwijkt van het referentievoertuig in de koerslijst (niet alleen qua CO2-uitstoot), waardoor de koerslijstwaarde niet zonder meer kan worden toegepast en de handelsinkoopwaarde voor risico van belanghebbende blijft.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is relevant voor de BPM-praktijk bij parallelimport van voertuigen met afwijkende specificaties, maar betreft een toepassing van bestaand recht zonder principieel nieuwe rechtsregels; de impact is daarmee beperkt tot een specifieke niche binnen het belastingrecht.
Belangrijkste punten
- 1Een koerslijst is gebaseerd op daadwerkelijke transacties met in Nederland toegelaten voertuigen met een specifiek typenummer; afwijkingen in CO2-uitstoot maken het referentievoertuig niet vergelijkbaar.
- 2Wanneer de ingevoerde auto op meerdere onderdelen verschilt van het referentievoertuig, is de inspecteur niet gehouden de afschrijving op de door de belastingplichtige voorgestane wijze vast te stellen.
- 3Het taxatierapport van belanghebbende werd door de rechtbank en het hof niet aanvaard als onderbouwing van de handelsinkoopwaarde en waardevermindering (€ 17.308).
- 4Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, omdat de tweejaartermijn (bezwaar mei 2023 – uitspraak rechtbank mei 2025) niet was overschreden.
- 5De beschikking belastingrente wordt wel vernietigd, hetgeen het enige (gedeeltelijke) succes voor de inspecteur/verweerder betreft in het voordeel van de procedure.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat bij BPM-heffing op ingevoerde gebruikte voertuigen de koerslijstmethode alleen bruikbaar is als het referentievoertuig daadwerkelijk vergelijkbaar is, en dat de bewijslast voor een lagere handelsinkoopwaarde (inclusief schadeaftrek) volledig bij de belastingplichtige rust. Een afwijkende CO2-uitstoot én andere technische verschillen diskwalificeren het referentievoertuig als maatstaf.
Praktische impact
Importeurs van gebruikte voertuigen met afwijkende specificaties ten opzichte van gangbare Nederlandse modellen zullen hun handelsinkoopwaarde en schadeaftrek grondiger moeten onderbouwen, bij voorkeur via een deugdelijk taxatierapport dat door de inspecteur wordt geaccepteerd, omdat een beroep op een niet-vergelijkbaar koerslijstvoertuig onvoldoende is.
Onderwerp-impact
Voor de BPM-praktijk rondom parallelimport van voertuigen met afwijkende CO2-waarden (bijvoorbeeld door softwareverschillen of buitenlandse specificaties) verduidelijkt deze uitspraak dat dergelijke voertuigen niet zonder meer kunnen aansluiten bij Nederlandse koerslijstdata, wat de aangiftelast voor importeurs vergroot.
Samenvatting
In deze BPM-zaak voor het Gerechtshof Den Haag staat de vraag centraal of de inspecteur bij de vaststelling van de handelsinkoopwaarde van een ingevoerd gebruikt voertuig terecht heeft afgeweken van de door de belastingplichtige voorgestane koerslijstmethode. Belanghebbende had bij de BPM-aangifte gebruik gemaakt van een koerslijstwaarde van een referentievoertuig met eenzelfde type-nummer, maar met een afwijkende CO2-uitstoot. Daarnaast claimde zij een waardevermindering wegens schade van € 17.308, onderbouwd met een taxatierapport. Zowel de rechtbank als het hof verwerpen dit standpunt. De kern van de redenering is dat de koerslijst is gebaseerd op daadwerkelijke transacties met voertuigen die in Nederland zijn toegelaten met een specifiek typenummer en bijbehorende vaste CO2-uitstoot. Nu de ingevoerde auto niet alleen qua CO2-uitstoot, maar ook op meerdere andere onderdelen verschilt van het referentievoertuig, is het gebruik van de koerslijstwaarde van dat referentievoertuig niet gerechtvaardigd. De inspecteur is dan ook niet verplicht de afschrijving op de door belanghebbende gewenste wijze te bepalen. De handelsinkoopwaarde is niet komen vast te staan, hetgeen voor risico van de belastingplichtige blijft. Het taxatierapport van belanghebbende werd niet aanvaard als afdoende bewijs voor de gestelde handelsinkoopwaarde en schadeaftrek. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen: het bezwaarschrift werd ontvangen in mei 2023 en de rechtbank deed uitspraak in mei 2025, zodat de tweejaartermijn precies niet werd overschreden. De beschikking belastingrente wordt door het hof wel vernietigd. De naheffingsaanslag BPM blijft in stand. De uitspraak bevestigt de zware bewijslast voor importeurs bij afwijkende voertuigspecificaties.