Beroep Algerijn ongegrond: overdracht naar Duitsland terecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:20759, Rechtbank Den Haag, 23-07-2026, NL26.32235
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Dublin Duitsland, buiten zitting, geen uitstel verleend voor het indienen van een zienswijze, onderzoeksplicht artikel 3 EVRM, arrest Changu, beroep kennelijk ongegrond
Kern van de zaak
Een Algerijnse asielzoeker (geboren 1996) diende op 26 april 2026 een asielaanvraag in Nederland in, nadat hij eerder op 19 oktober 2025 al een asielverzoek in Duitsland had ingediend. De IND weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is op grond van de Dublin-verordening. Eiser bestreed dit besluit en beriep zich op schending van zijn recht op rechtsbijstand, een onderzoeksplicht naar artikel 3 EVRM-risico's bij overdracht, en het arrest Changu.
Beslissing van de rechter
De rechtbank Den Haag verklaart het beroep ongegrond. Doorslaggevend is dat Duitsland het terugnameverzoek heeft aanvaard en dat de aangevoerde gronden – geen uitstel zienswijze, onderzoeksplicht artikel 3 EVRM en het arrest Changu – geen doel treffen, nu de rechtbank geen aanleiding ziet voor een inhoudelijke beoordeling van de overdracht.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige Dublin-beschikking zonder nieuwe rechtsvragen; de uitspraak volgt bestaande jurisprudentie en heeft geen richtinggevend karakter. Afdoening zonder zitting (art. 8:54 Awb) bevestigt het standaardkarakter.
Belangrijkste punten
- 1Duitsland is als verantwoordelijke lidstaat aangemerkt op basis van Eurodac-registratie van een eerder asielverzoek aldaar (19 oktober 2025).
- 2Het terugnameverzoek van de IND is door Duitsland op 18 mei 2026 aanvaard, waarmee de Dublin-verantwoordelijkheid vaststaat.
- 3Eiser betoogde dat hem ten onrechte geen uitstel is verleend voor het indienen van een zienswijze, mede vanwege drukte rond het Asiel- en Migratiepact; de rechtbank verwerpt dit.
- 4Het beroep op een verdergaande onderzoeksplicht naar artikel 3 EVRM-risico's bij overdracht aan Duitsland, en op het arrest Changu, wordt niet gehonoreerd.
- 5De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb (vereenvoudigde afdoening); partijen kunnen verzet instellen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de standaard Dublin-praktijk waarbij een eerder geregistreerd asielverzoek in een andere EU-lidstaat volstaat voor niet-behandeling in Nederland, en dat een beroep op artikel 3 EVRM en het arrest Changu in dit geval geen nadere onderzoeksplicht creëert. De uitspraak heeft beperkte precedentwerking als routinematige Dublin-afdoening.
Praktische impact
Eiser wordt overgedragen aan Duitsland voor verdere behandeling van zijn asielaanvraag; zijn beroep op problemen met de politie in Duitsland en het recht op rechtsbijstand heeft de overdracht niet kunnen tegenhouden. Hij heeft nog de mogelijkheid verzet in te stellen binnen zes weken.
Onderwerp-impact
Voor asielzoekers in Dublin-procedures onderstreept deze uitspraak dat een beroep op administratieve drempels (geen uitstel zienswijze door pact-drukte) en algemene verwijzingen naar EVRM-risico's zonder concrete onderbouwing onvoldoende zijn om overdracht te blokkeren.
Samenvatting
Een Algerijnse man (geboren 1996) diende op 26 april 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Uit de Eurodac-databank bleek dat hij op 19 oktober 2025 al een verzoek tot internationale bescherming had ingediend in Duitsland. Op grond daarvan weigerde de IND de Nederlandse aanvraag in behandeling te nemen op basis van artikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland verantwoordelijk is als Dublin-lidstaat. Een terugnameverzoek werd op 12 mei 2026 naar de Duitse autoriteiten gestuurd en op 18 mei 2026 aanvaard. Eiser tekende beroep aan en voerde drie gronden aan. Ten eerste stelde hij dat hem ten onrechte geen uitstel was verleend voor het indienen van een zienswijze, omdat zijn gemachtigde door de drukte rondom het Asiel- en Migratiepact moeilijk contact kon krijgen met eiser; dit zou in strijd zijn met zijn recht op rechtsbijstand. Ten tweede betoogde eiser dat verweerder een actieve onderzoeksplicht heeft naar mogelijke schendingen van artikel 3 EVRM bij overdracht aan Duitsland, die verder reikt dan de verplichtingen uit het EU-recht, mede gelet op zijn verklaring in het aanmeldgehoor over problemen met de politie in Duitsland. Ten derde stelde eiser dat de Duitse autoriteiten handelen in strijd met het arrest Changu. De rechtbank Den Haag deed uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb en verklaarde het beroep ongegrond. Alle drie de gronden werden verworpen. De Dublin-verantwoordelijkheid van Duitsland staat vast op basis van de Eurodac-registratie en de aanvaarding van het terugnameverzoek. De aangevoerde bezwaren over rechtsbijstand, de artikel 3 EVRM-onderzoeksplicht en het arrest Changu zijn onvoldoende om de overdracht te blokkeren. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen.