JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:2235Laag18/100

WOZ-waarde woning bevestigd ondanks geschil over grondprijs

ECLI:NL:GHDHA:2026:2235, Gerechtshof Den Haag, 15-04-2026, BK-25/423

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 15 april 2026Publicatie: 7 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BK-25/423
Bestuursrecht
Belastingrecht
Vastgoed
Vergunningen
Woz Waarde
Heffingsambtenaar
Grondprijs
Vergelijkingsmethode
Woningwaardering

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Wet WOZ. De Heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de door hem vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is. Gebruik van grondquotes.

Kern van de zaak

Een belastingplichtige (belanghebbende) betwist de WOZ-waarde van zijn woning, waarbij in hoger beroep uitsluitend de gehanteerde grondprijs nog in geschil is. De Heffingsambtenaar heeft de waarde vastgesteld op € 1.025.000 op basis van vergelijkende verkopen.

Beslissing van de rechter

Het Gerechtshof Den Haag bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en stelt vast dat de Heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Doorslaggevend is dat de matrix met vergelijkingsobjecten de vastgestelde waarde van € 1.025.000 voldoende onderbouwt.

18van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een feitelijke belastingzaak over een individuele WOZ-waarde zonder nieuwe rechtsvragen; de uitspraak past volledig binnen bestaande jurisprudentie en heeft geen bredere precedentwerking.

Belangrijkste punten

  • 1In hoger beroep was uitsluitend de gehanteerde grondprijs nog in geschil, overige waarderingsaspecten waren niet langer betwist.
  • 2De bewijslast rust op de Heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
  • 3Waarderingsmethoden zijn slechts hulpmiddelen; de rechter toetst uitsluitend of de voorgestane waarde het wettelijke waardebegrip doorstaat (HR 29 november 2000).
  • 4De waarde is via een vergelijkingsmatrix berekend op € 1.045.000 en vastgesteld op € 1.025.000, waarbij rekening is gehouden met verschillen tussen de woning en vergelijkingsobjecten.
  • 5Het Hof oordeelt dat de Heffingsambtenaar aan zijn bewijslast heeft voldaan en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat waarderingsmethoden hulpmiddelen zijn en dat de rechter enkel toetst of de waarde het wettelijke WOZ-waardebegrip van artikel 17 lid 2 Wet WOZ doorstaat. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.

Praktische impact

Voor de belastingplichtige betekent dit dat de hogere WOZ-waarde van € 1.025.000 in stand blijft, met bijbehorende fiscale gevolgen voor onder meer onroerendezaakbelasting en eventuele vermogensrendementsheffing.

Onderwerp-impact

In WOZ-geschillen over grondprijzen blijft de vergelijkingsmethode een geaccepteerde onderbouwing, mits de matrix voldoende inzichtelijk de verschillen tussen het object en vergelijkingsobjecten verrekent.

Samenvatting

In deze belastingzaak voor het Gerechtshof Den Haag stond de WOZ-waarde van een woning centraal. De Heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op € 1.025.000. De belastingplichtige (belanghebbende) was het hier niet mee eens en tekende bezwaar en beroep aan. In hoger beroep had de procedure zich inmiddels versmald tot één enkel geschilpunt: de voor de woning gehanteerde grondprijs. Het Hof stelde voorop dat de WOZ-waarde ingevolge artikel 17 lid 2 Wet WOZ de prijs vertegenwoordigt die een meestbiedende koper zou betalen bij een optimale verkoop. De bewijslast om aannemelijk te maken dat de vastgestelde waarde niet te hoog is, rust op de Heffingsambtenaar. Het Hof benadrukte verder, onder verwijzing naar HR 29 november 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA8610), dat waarderingsmethoden slechts hulpmiddelen zijn bij de waardebepaling en dat partijen vrij zijn in hun methodekeuze. De rechter toetst uitsluitend of de verdedigde waarde het wettelijke waardebegrip doorstaat. De Heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een vergelijkingsmatrix, waarbij marktgegevens van vergelijkbare woningen zijn gehanteerd en gecorrigeerd voor relevante verschillen. Op basis van die matrix werd de waarde berekend op € 1.045.000 en vervolgens vastgesteld op het iets lagere bedrag van € 1.025.000. Het Hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar hiermee aan zijn bewijslast had voldaan en dat de vastgestelde waarde de wettelijke toets doorstaat. Het hoger beroep van de belastingplichtige werd verworpen en de uitspraak van de Rechtbank werd bevestigd. De uitspraak is illustratief voor de vaste rechtspraktijk rondom WOZ-geschillen en voegt geen nieuwe rechtsnormen toe.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 13 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323Middel
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 25/232

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026ZorgHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1245Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1245, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/00155

Hoge Raad10 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:19357Laag
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19357, Rechtbank Den Haag, 10-07-2026, NL25.56506

Rechtbank Den Haag10 jul 2026OverheidAansprakelijkheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied