JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:2186Laag18/100

Hof Den Haag beoordeelt zorgregeling kinderen in hoger beroep

ECLI:NL:GHDHA:2026:2186, Gerechtshof Den Haag, 10-06-2026, 200.366.164/01

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 10 juni 2026Publicatie: 3 juli 2026
Zaaknummer:200.366.164/01
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Arbeidsrelaties
Zorg
Hoger Beroep
Zorgregeling
Gezagsrecht
Minderjarigen
Samengesteld Gezin

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Wijziging zorgregeling. Artikel 1:265g en artikel 1:253a BW. Door de afwisselende contactmomenten in de huidige zorgregeling lopen de kinderen elkaar en hun stiefbroer regelmatig mis, waardoor onvoldoende gelegenheid bestaat voor een gezamenlijk gezinsleven en voor het opbouwen en onderhouden van een duurzame onderlinge band. Het hof acht deze situatie niet in het belang van de kinderen en wijst het verzoek van de vader tot wijziging van de zorgregeling toe.

Kern van de zaak

Een vader gaat in hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter Den Haag over de zorgregeling voor zijn twee minderjarige kinderen. Hij stelt dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn gezinssituatie als samengesteld gezin en de praktische uitvoerbaarheid van de regeling. De moeder verzoekt bekrachtiging van de bestreden beschikking.

Beslissing van de rechter

De uitspraak is onvolledig aangeleverd; de uiteindelijke beslissing van het Gerechtshof Den Haag is uit de beschikbare tekst niet af te leiden. Op basis van het verzoek van de moeder tot bekrachtiging en de procedurele context lijkt de uitkomst mogelijk een bekrachtiging van de beschikking van de kinderrechter van 12 december 2025, maar dit is onzeker.

18van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een individuele familiezaak over een zorgregeling zonder aanwijzingen voor richtinggevende rechtsontwikkeling; de uitspraaktekst is bovendien onvolledig, waardoor de werkelijke impact moeilijk te beoordelen is.

Belangrijkste punten

  • 1Vader stelt dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn samengestelde gezinssituatie bij het vaststellen van de zorgregeling.
  • 2De praktische uitvoerbaarheid van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling is door de vader betwist.
  • 3De voorzitter heeft één minderjarige gehoord; de andere minderjarige heeft zijn mening schriftelijk kenbaar gemaakt.
  • 4De gecertificeerde instelling is als informant betrokken; de Raad voor de Kinderbescherming is niet verschenen bij de mondelinge behandeling.
  • 5De moeder verzoekt bekrachtiging van de bestreden beschikking van de kinderrechter Den Haag van 12 december 2025.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak is te fragmentarisch om een definitieve juridische impact vast te stellen; de zaak raakt het personen- en familierecht omtrent zorgregelingen bij samengestelde gezinnen. Onzeker is of het hof nieuwe criteria of overwegingen formuleert voor de weging van gezinssituaties bij zorgregeling.

Praktische impact

Voor de betrokken ouders en kinderen is de uitkomst van het hoger beroep bepalend voor de concrete invulling van de contactregeling. De uitkomst is op basis van de beschikbare tekst niet vast te stellen.

Onderwerp-impact

De zaak illustreert de aandachtspunten bij zorgregeling in samengestelde gezinnen, maar heeft vanwege de beperkte beschikbaarheid van de uitspraaktekst geen bredere beleidsmatige impact.

Samenvatting

In deze zaak bij het Gerechtshof Den Haag (Team Familie) gaat een vader in hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 12 december 2025, waarin een zorgregeling voor zijn twee minderjarige kinderen is vastgesteld. De vader is van mening dat de kinderrechter bij het vaststellen van die regeling onvoldoende rekening heeft gehouden met de feitelijke omstandigheden, in het bijzonder zijn situatie als deel van een samengesteld gezin – met zijn partner en haar kind uit een eerdere relatie als stiefbroer van de minderjarigen – en de praktische uitvoerbaarheid van de regeling. De moeder verweert zich en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen. De gecertificeerde instelling is als informant betrokken bij de procedure; de Raad voor de Kinderbescherming heeft schriftelijk laten weten niet aanwezig te zullen zijn bij de mondelinge behandeling. In het kader van hoor en wederhoor heeft de voorzitter op 23 april 2026 persoonlijk gesproken met één van de minderjarigen, terwijl de andere minderjarige zijn mening schriftelijk kenbaar heeft gemaakt – een gebruikelijke werkwijze in familiezaken waarbij de stem van het kind wordt meegewogen. De mondelinge behandeling vond plaats op 24 april 2026. De beschikbare uitspraaktekst is onvolledig: de inhoudelijke motivering en de uiteindelijke beslissing van het hof zijn niet volledig weergegeven, waardoor geen definitieve conclusie kan worden getrokken over de uitkomst. Op basis van de beschikbare tekst – met name het verzoek van de moeder tot bekrachtiging – lijkt bekrachtiging van de eerste aanleg beschikking een mogelijke uitkomst, maar dit blijft onzeker. De zaak heeft geen bredere precedentwerking.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 28 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2276Laag
Burgerlijk procesrecht
Insolventierecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2276, Gerechtshof Den Haag, 23-07-2026, 200.368.225/01

Gerechtshof Den Haag23 jul 2026IncassoFaillissement
28/100Bekijk
ECLI:NL:GHDHA:2026:2298Laag
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2298, Gerechtshof Den Haag, 21-07-2026, 200.345.635/01

Gerechtshof Den Haag21 jul 2026AansprakelijkheidDienstverlening
18/100Bekijk
ECLI:NL:GHAMS:2026:2026Laag
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht

ECLI:NL:GHAMS:2026:2026, Gerechtshof Amsterdam, 21-07-2026, 200.358.108/01

Gerechtshof Amsterdam21 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:GHDHA:2026:2170Laag
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2170, Gerechtshof Den Haag, 21-07-2026, 200.368.798/01

Gerechtshof Den Haag21 jul 2026Overheid
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied